Art. 5 Verordening (EEG) nr. 1101/89
1. De eigenaar van elk vaartuig als bedoeld in artikel 2, lid 1, ontvangt, indien hij dat vaartuig sloopt, uit het betreffende fonds een sloopuitkering binnen de grenzen van de beschikbare financiële middelen en onder de in artikel 6 vermelde voorwaarden. De sloopuitkering wordt alleen toegekend voor vaartuigen waarvan de eigenaar aantoont dat zij tot de actieve vloot behoren.
Met sloop wordt bedoeld de volledige verschroting van de romp van het vaartuig.
Tot de actieve vloot behoren de bedrijfszekere vaartuigen
- die beschikken over
- hetzij een door de nationale bevoegde autoriteit of met instemming daarvan afgegeven certificaat dat het vaartuig geschikt is voor de vaart,
- hetzij een door de autoriteit van een van de betrokken Lid-Staten verleende vergunning om nationaal vervoer te verrichten
en die in het jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag van de sloopuitkering ten minste één reis hebben gemaakt,
- of die in het jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag van de sloopuitkering ten minste tien reizen hebben gemaakt.
Er wordt geen uitkering toegekend voor vaartuigen die ingevolge averij of andere schade niet meer kunnen worden gerepareerd en derhalve worden gesloopt.
2. De sloopfondsen zijn in financiële zin onderling solidair voor wat betreft de afzonderlijke rekeningen als bedoeld in artikel 3, lid 3. Deze solidariteit treedt in werking bij de terugbetaling van de renteloze leningen als bedoeld in artikel 7, ten einde te waarborgen dat de terugbetalingstermijn van deze leningen voor alle fondsen dezelfde is.