Art. 2 Verordening (EEG) nr. 1101/89
1. Deze verordening is van toepassing op vrachtschepen en duwboten waarmee beroepsvervoer of eigen vervoer wordt verricht en die zijn geregistreerd in een Lid-Staat of, bij gebreke van registratie, door een in een Lid-Staat gevestigde onderneming worden geëxploiteerd.
Voor de toepassing van deze verordening wordt onder »onderneming" verstaan, elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een ambachtelijke of industriële economische bedrijvigheid uitoefent.
2. Deze verordening geldt niet voor:
a) vaartuigen die uitsluitend nationale waterwegen gebruiken die niet met de andere waterwegen van de Gemeenschap in verbinding staan;
b) vaartuigen die wegens hun afmetingen de nationale waterwegen waarop zij varen, niet kunnen verlaten en zich niet op de andere waterwegen van de Gemeenschap kunnen begeven (»bateaux captifs"), op voorwaarde dat deze vaartuigen de vaartuigen waarop deze verordening van toepassing is, geen concurrentie kunnen aandoen;
c) - duwboten met een voortstuwingsvermogen van ten hoogste 300 kW,
- kustvaarders en lichters, voor zover daarmee uitsluitend internationaal of nationaal vervoer wordt verricht tijdens reizen die een maritiem traject omvatten,
- veerboten,
- voor een niet-commerciële openbare dienst gebruikte vaartuigen.
3. Elke Lid-Staten mag vaartuigen met een laadvermogen van minder dan 450 ton van de werkingssfeer van deze verordening uitsluiten, indien de economische en sociale situatie in de sector van deze vaartuigen dit vereist.
Indien een Lid-Staat van deze mogelijkheid gebruikt maakt, stelt hij de Commissie uiterlijk zes maanden na de vaststelling van deze verordening in kennis van een nationaal saneringsplan uit hoofde van de steunregeling. Indien de Commissie het saneringsplan onverenigbaar acht met de gemeenschappelijke markt, is lid 1 van toepassing op de betrokken vaartuigen.