Art. 21 Verordening (EEG) nr. 822/87
1. Verse druiven, druivemost, gedeeltelijke gegiste druivemost, jonge nog gistende wijn en wijn mogen :
-in de wijnbouwzones A, B, C I a ) en C I b ) gedeeltelijk worden ontzuurd;
-in de wijnbouwzones C II en C III a ), onverminderd het bepaalde in lid 3, worden aangezuurd en ontzuurd;
-in wijnbouwzone C III b ) worden aangezuurd .
Aanzuring van de in de eerste alinea genomede produkten, behalve wijn, mag slechts plaatshebben tot een maximum van 1,50 gram per liter, uitgedrukt in wijnsteenzuur, dat wil zeggen 20 milli-equivalent per liter .
Aanzuring van wijn mag slechts plaatshebben tot een maximum van 2,50 gram per liter, uitgedrukt in wijnsteenzuur, dat wil zeggen 33,3 milli-equivalent per liter .
Ontzuring van wijn mag slechts plaatshebben tot een maximum van 1 gram per liter, uitgedrukt in wijnsteenzuur, dat wil zeggen 13,3 milli-equivalent per liter .
Voorts mag voor concentratie bestemde druivemost gedeeltelijk worden ontzuurd .
2. In jaren waarin zich uitzonderlijke weersomstandigheden hebben voorgedaan, mogen de Lid-Staten toestemming verlenen tot aanzuring van de in lid 1 genoemde produkten in de wijnbouwzones C I a ) en C I b ) onder de in lid 1 genoemede voorwaarden voor de zones C II, C III a ) en
C III b ).
3. Aanzuring en verrijking van een zelfde produkt sluiten elkaar uit, behoudens van geval tot geval te bepalen afwijkingen . Aanzuring en ontzuring van een zelfde produkte sluiten elkaar eveneens uit .
4. De in lid 3 genoemde afwijkingen, alsmede de andere uitvoeringsbepalingen van dit artikel, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 83 .