Art. 18 Verordening (EEG) nr. 822/87
1. Indien de weersomstandigheden in bepaalde wijnbouwzones van de Gemeenschap daartoe nopen, kunnen de betrokken Lid-Staten toestaan dat het ( effectieve of potentiële ) natuurlijke alcohol-volumegehalte van verse druiven, van druivemost, van gedeeltelijk gegiste druivemost, van jonge, nog gistende wijn van in artikel 69 bedoelde wijnstokrassen, van wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt en van tafelwijn wordt verhoogd .
Het natuurlijke alcohol-volumegehalte van de in de eerste alinea bedoelde produkten mag slechts worden verhoogd indien hun minimum natuurlijke alcohol-volumegehalte de volgende waarde bereikt :
-in wijnbouwzone A:5 % vol .
-in wijnbouwzone B:6 % vol .
-in wijnbouwzone C I a):7,5 % vol .
-in wijnbouwzone C I b):8 % vol .
-in wijnbouwzone C II:8,5 % vol .
-in de wijnbouwzone C III:9 % vol .
De verhoging van het minimum natuurlijk alcohol-volumegehalte geschiedt volgens de in artikel 19 genoemde oenologische procédés en mag de volgende maxima niet overschrijden :
-in wijnbouwzone A:3,5 % vol .
-in wijnbouwzone B:2,5 % vol .
-in de wijnbouwzones C:2 % vol .
2. In jaren waarin de weersomstandigheden uitzonderlijk ongunstig zijn geweest, mag de in lid 1, derde alinea, bedoelde verhoging van het alcoholgehalte op de volgende maxima worden gebracht :
-in wijnbouwzone A:4,5 % vol .
-in wijnbouwzone B:3,5 % vol .
3. De in dit artikel bedoelde wijnbouwzones zijn opgenomen in bijlage IV .
4. De uitvoeringsbepalingen van dit artikel, en met name de besluiten inzake machtiging tot de in lid 2 bedoelde verhogingen, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 83 .