Art. 18 Verordening (EEG) nr. 1999/85
1. De regeling actieve veredeling wordt voor invoergoederen beëindigd wanneer de veredelingsprodukten onder douanetoezicht uit het douanegebied van de Gemeenschap zijn uitgevoerd, en wanneer voor het overige aan alle voorwaarden voor de toepassing van de regeling is voldaan.
Bij toepassing van artikel 2, lid 1, onderdeel b), wordt de regeling actieve veredeling beëindigd wanneer de aangifte betreffende de niet-communautaire goederen door de douaneautoriteit is aanvaard.
2. De regeling actieve veredeling wordt eveneens beëindigd voor invoergoederen wanneer de veredelingsprodukten:
a) in een vrije zone of onder een van de volgende douaneregelingen worden geplaatst, om vervolgens uit het douanegebied van de Gemeenschap te worden uitgevoerd of opnieuw onder de regeling actieve veredeling te worden geplaatst:
- regeling douane-entrepot,
- regeling tijdelijke invoer,
- regeling voor communautair douanevervoer (externe procedure) of een van de regelingen voor internationaal vervoer bedoeld in artikel 7, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 222/77 van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair douanevervoer (1), voor zover het gebruik van deze laatste regelingen door de communautaire wetgeving is toegestaan;
b) opnieuw onder de regeling actieve veredeling worden geplaatst;
c) in het vrije verkeer worden gebracht;
d) onder de regeling voor behandeling onder douanetoezicht worden geplaatst;
e) worden vernietigd onder toezicht van de douaneautoriteit waarbij de resten en de afvallen die uit deze vernietiging voortkomen zelf ofwel opnieuw buiten het douanegebied van de Gemeenschap kunnen worden uitgevoerd ofwel een van de overige in het onderhavige lid 2 bepaalde bestemmingen kunnen krijgen;
f) ten gunste van de Schatkist worden achtergelaten indien deze mogelijkheid in de nationale voorschriften bestaat.
3. de beëindiging van de regeling in de onder lid 2, onderdelen c) tot en met f), bedoelde omstandigheden is afhankelijk van de toestemming door de douaneautoriteit, die deze toestemming verleent wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen.
De douaneautoriteit kan ook toestaan dat de veredelingsprodukten die in een vrije zone of onder een van de in lid 2, onderdeel a), bedoelde douaneregelingen zijn geplaatst, een van de in de onderdelen c) tot en met f) van genoemd lid bedoelde bestemmingen krijgen.
4. De bepalingen van de leden 1, 2 en 3 zijn eveneens van toepassing op onveredelde goederen.
5. Volgens de procedure van artikel 31, leden 2 en 3, kunnen worden vastgesteld de gevallen waarin, de voorwaarden waaronder en het tijdstip waarop onveredelde goederen of veredelingsprodukten waarvoor een vergunning voor het in het vrije verkeer brengen wordt afgegeven, geacht worden in het vrije verkeer te zijn gebracht.