Art. 14 Verordening (EEG) nr. 1999/85
1. De douaneautoriteit stelt de termijn vast waarbinnen de veredelingsprodukten een van de in artikel 18 bedoelde bestemmingen moeten hebben gekregen. Bij de vaststelling van deze termijn wordt rekening gehouden met de tijd die nodig is voor het verrichten van de veredelingshandelingen en het afzetten van de veredelingsprodukten.
2. De termijnen beginnen te lopen vanaf de datum waarop de niet-communautaire goederen onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst. De douaneautoriteit kan deze termijnen verlengen op met redenen omkleed verzoek van de vergunninghouder. Ter vereenvoudiging kan worden besloten dat termijnen die in de loop van een kalendermaand of een kwartaal beginnen te lopen, op de laatste dag van een latere kalendermaand, respectievelijk van een later kwartaal verstrijken.
3. In geval van toepassing van artikel 2, lid 1, onderdeel b), stelt de douaneautoriteit de termijn vast waarbinnen de niet-communautaire goederen voor de regeling moeten worden aangegeven. Deze termijn begint te lopen vanaf de datum van uitvoer van de uit de betrokken equivalente goederen verkregen veredelingsprodukten.
4. Volgens de procedure van artikel 31, leden 2 en 3, kunnen voor bepaalde veredelingshandelingen of voor bepaalde invoergoederen specifieke termijnen worden vastgesteld.