Art. 8 Richtlijn 85/511/EEG
1. a) Bedrijven van waaruit naar de bevindingen of naar de op bevestigde berichten gegronde mening van de officiële dierenarts mond- en klauwzeer kan zijn ingesleept in het in artikel 4 bedoelde bedrijf als gevolg van het verkeer van personen, dieren, voertuigen of op enigerlei andere wijze en bedrijven waarin naar zijn bevindingen of naar zijn op bevestigde berichten gegronde mening de ziekte op dezelfde wijze kan zijn ingesleept vanuit het in artikel 4 bedoelde bedrijf, worden overeenkomstig artikel 4 onder officieel toezicht gesteld; dit toezicht wordt pas opgeheven, wanneer het vermoeden van mond- en klauwzeer op het in artikel 4 bedoelde bedrijf officieel weerlegd is.
b) Bedrijven van waaruit naar de bevindingen of naar de op bevestigde berichten gegronde mening van de officiële dierenarts mond- en klauwzeer kan zijn ingesleept in het in artikel 5 bedoelde bedrijf als gevolg van het verkeer van personen, dieren, voertuigen of op enigerlei andere wijze, worden overeenkomstig artikel 4 onder officieel toezicht gesteld.
c) Voor bedrijven waarin naar de bevindingen of naar de op bevestigde berichten gegronde mening van de officiële dierenarts mond- en klauwzeer kan zijn ingesleept vanuit het in artikel 5 bedoelde bedrijf als gevolg van het verkeer van personen, dieren, voertuigen of op enigerlei andere wijze, gelden de voorschriften van artikel 4.
2. Wanneer voor een bedrijf het bepaalde in lid 1 geldt, verbiedt de bevoegde autoriteit dat de dieren buiten het bedrijf worden gebracht, tenzij wanneer ze onder officieel toezicht rechtstreeks naar een slachthuis worden vervoerd om onverwijld te worden geslacht, en dit gedurende een periode van respectievelijk 15 dagen voor de in lid 1, onder a) en b), bedoelde bedrijven en van 21 dagen voor de in lid 1, onder c), bedoelde bedrijven. Voordat bovengenoemde vergunning wordt gegeven, moet de officiële dierenarts een onderzoek van de veestapel verricht hebben waaruit blijkt dat in het bedrijf geen van besmetting verdachte dieren aanwezig zijn.
3. Wanneer de bevoegde autoriteit van oordeel is dat de omstandigheden zulks toelaten, kan zij de maatregelen als bedoeld in lid 1, onder a) en b), beperken tot een gedeelte van het bedrijf en tot de dieren die in dat gedeelte aanwezig waren, voor zover de partijen er geheel afzonderlijk gehuisvest, verzorgd en gevoederd werden.