Art. 4
1. De Lid-Staten zien erop toe dat, wanneer er zich op een bedrijf een of meer van besmetting verdachte dieren bevinden, onverwijld een officieel onderzoek wordt ingesteld om na te gaan of deze ziekte al dan niet aanwezig is, en in het bijzonder dat de officiële dierenarts de passende monsters neemt of laat nemen voor laboratoriumonderzoek.
Zodra de bevoegde autoriteit van de verdenking in kennis gesteld is, laat zij het bedrijf onder officieel toezicht plaatsen en geeft zij met name opdracht:
- alle dieren van alle categorieën voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf te tellen en voor iedere categorie het aantal dieren aan te geven dat reeds gestorven is dan wel mogelijk besmet is; bij de telling moeten ook de dieren in aanmerking worden genomen die in de periode van verdenking geboren en gestorven zijn; de gegevens van deze telling moeten op verzoek worden overgelegd en kunnen bij elke inspectie worden gecontroleerd,
- alle voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf op stal te houden of onder te brengen op andere plaatsen waar zij geïsoleerd kunnen worden,
- te verbieden dat voor de ziekte vatbare dieren in of buiten het bedrijf worden gebracht,
- te verbieden dat andere soorten dieren in of buiten het bedrijf worden gebracht, tenzij de bevoegde autoriteit daartoe vergunning heeft verleend,
- te verbieden dat vlees of kadavers van voor de ziekte vatbare dieren alsmede diervoeders, gereedschap, voorwerpen of andere stoffen, zoals wol of afval, welke mond- en klauwzeer kunnen overbrengen, buiten het bedrijf worden gebracht, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit,
- te verbieden dat melk buiten het bedrijf wordt gebracht. In geval van opslagmoeilijkheden op het bedrijf kan de bevoegde autoriteit toestaan dat onder veterinair toezicht melk uit het bedrijf naar een melkinrichting wordt gebracht om aldaar een warmtebehandeling te ondergaan die de vernietiging van het mond- en klauwzeervirus waarborgt,
- het verkeer van personen komende van of gaande naar het bedrijf afhankelijk te stellen van een vergunning van de bevoegde autoriteit,
- de toegang tot of het verlaten van het bedrijf van voertuigen afhankelijk te stellen van een vergunning van de bevoegde autoriteit, die de voorwaarden vaststelt om verspreiding van het mond- en klauwzeervirus te voorkomen,
- geëigende ontsmettingsmiddelen te gebruiken bij de in- en uitgangen van de stallen van de voor ziekte vatbare dieren en van het bedrijf,
- een epizooetiologisch onderzoek uit te voeren overeenkomstig de artikelen 7 en 8.
2. De bevoegde autoriteit kan de in lid 1 bedoelde maatregelen uitbreiden tot de onmiddellijk aangrenzende bedrijven wanneer in verband met de ligging hiervan, de plaatselijke situatie of de contacten met de dieren van het bedrijf die van de ziekte worden verdacht, voor een eventuele besmetting moet worden gevreesd.
3. De in de leden 1 en 2 genoemde maatregelen worden pas opgeheven wanneer officieel is vastgesteld dat het vermoeden van mond- en klauwzeer niet langer bestaat.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CBb 7 januari 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AF2740
- CBb 19 mei 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BJ0695
- CBb 26 mei 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BJ0675
- CBb 19 mei 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BJ0670
- CBb 19 mei 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BJ0650
- CBb 28 april 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BI4886
- CBb 24 februari 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BI0853
- CBb 19 augustus 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AL8212
- CBb 7 januari 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AF2743
- CBb 7 januari 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AF2742
- CBb 7 januari 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AF2741
- CBb 31 maart 2001, ECLI:NL:CBB:2001:AB1027
- CBb 28 maart 2001, ECLI:NL:CBB:2001:AB0908
- CBb 31 maart 2001, ECLI:NL:CBB:2001:AB0880