Art. 5 Richtlijn 85/511/EEG
Zodra is bevestigd dat zich in een bedrijf een of meer dieren als omschreven in artikel 2, onder c), bevinden, zien de Lid-Staten erop toe dat de bevoegde autoriteit de volgende maatregelen neemt:
1. de officiële dierenarts neemt de passende monsters of laat deze nemen met het oog op de onderzoeken door het in de bijlage vermelde laboratorium, wanneer deze monsternemingen en onderzoeken niet zijn verricht tijdens de periode van verdenking overeenkomstig artikel 4, lid 1, eerste alinea;
2. naast de in artikel 4, lid 1, genoemde maatregelen, worden onverwijld de volgende maatregelen getroffen:
a) in de Lid-Staten of gebieden waar inenting verboden is:
- worden alle voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf onder officieel toezicht ter plaatse afgemaakt, op zodanige wijze dat alle gevaar voor verspreiding van het mond- en klauwzeervirus kan worden voorkomen,
- worden voornoemde dieren, na het afmaken, onder officieel toezicht vernietigd, op zodanige wijze dat alle gevaar voor verspreiding van het mond- en klauwzeervirus kan worden voorkomen,
- wordt het vlees van voor de ziekte vatbare dieren die afkomstig zijn van het bedrijf en die in het tijdvak tussen de vermoedelijke insleep van de ziekte in het bedrijf en de toepassing van de officiële maatregelen geslacht werden, zoveel mogelijk opgespoord en onder officieel toezicht vernietigd, op zodanige wijze dat alle gevaar voor verspreiding van het mond- en klauwzeervirus kan worden voorkomen,
- worden de kadavers van op het bedrijf gestorven, voor de ziekte vatbare dieren onder officieel toezicht op zodanige wijze vernietigd dat alle gevaar voor verspreiding van het mond- en klauwzeervirus kan worden voorkomen,
- worden alle in artikel 4, lid 1, tweede alinea, vijfde streepje, bedoelde stoffen vernietigd of aan een behandeling onderworpen die de vernietiging van het eventueel aanwezige mond- en klauwzeervirus waarborgt; alle behandelingen moeten volgens de aanwijzingen van de officiële dierenarts worden uitgevoerd,
- worden de melk en de melkprodukten op zodanige wijze vernietigd dat alle gevaar voor verspreiding van het mond- en klauwzeervirus kan worden voorkomen,
- worden na de opruiming van de voor de ziekte vatbare dieren en van de in artikel 4, lid 1, tweede alinea, vijfde streepje, bedoelde stoffen, de stallen en de omgeving hiervan, evenals de voertuigen waarmee de dieren vervoerd zijn en alle materieel dat mogelijk besmet is, gereinigd en ontsmet overeenkomstig artikel 10,
- worden voor de ziekte vatbare dieren ten vroegste 21 dagen na beëindiging van de overeenkomstig artikel 10 uitgevoerde reinigings- en ontsmettingswerkzaamheden opnieuw tot het bedrijf toegelaten,
- wordt overeenkomstig de artikelen 7 en 8 een epizooetiologisch onderzoek uitgevoerd;
b) in de Lid-Staten of gebieden waarin met inachtneming van artikel 14 een inentingsbeleid wordt georganiseerd:
i) - worden alle voor ziekte vatbare dieren van het bedrijf onder officiële controle afgemaakt en vernietigd. Bij het afmaken en vernietigen van de dieren treffen de Lid-Staten de nodige maatregelen om ieder gevaar van voortbestaan en verspreiding van het mond- en klauwzeervirus en ieder schadelijk gevolg voor het milieu te voorkomen; met name wanneer het afmaken niet ter plaatse geschiedt, moet het vervoer van de dieren plaatsvinden in voertuigen die speciaal zijn uitgerust om iedere verspreiding van het mond- en klauwzeervirus te voorkomen;
- na vaststelling van de soort, ondersoort of variant van het mond- en klauwzeervirus of wanneer men op grond van de epidemiologische informatie en gegevens met zekerheid kan vaststellen dat de gebruikte vaccins de immuniteit van het betrokken virus garanderen, kunnen de Lid-Staten:
- het afmaken en vernietigen beperken tot vatbare dieren,
- toestaan dat vlees en melk van niet-besmette en niet van besmetting verdachte dieren onder veterinair toezicht een passende warmtebehandeling ondergaan;
ii) de onder i) bedoelde maatregelen gaan vergezeld van inenting of herinenting van de resterende dieren overeenkomstig artikel 13, lid 1;
iii) de onder a), derde, vierde en vijfde streepje, bedoelde maatregelen en, behoudens in het onder i) bedoelde geval van warmtebehandeling, de onder a), zesde streepje, bedoelde maatregelen zijn van overeenkomstige toepassing;
3. de onder 1 bedoelde bepalingen zijn niet van toepassing wanneer een secundaire besmettingshaard optreedt die epidemiologisch is verbonden met een primaire besmettingshaard waarvoor reeds monsters zijn genomen;
4. de bevoegde autoriteit kan de onder 1 bedoelde maatregelen uitbreiden tot de onmiddellijk aangrenzende bedrijven, wanneer in verband met de ligging hiervan, de plaatselijke situatie of de contacten met de dieren van het bedrijf waar de ziekte werd geconstateerd, voor een besmetting moet worden gevreesd. Artikel 6
1. Indien een bedrijf twee of meer afzonderlijke produktie-eenheden heeft, kan de bevoegde autoriteit voor de gezonde produktie-eenheden van een besmet bedrijf afwijken van artikel 5, onder 2, a), eerste en tweede streepje, en onder 2, b), i), voor zover de officiële dierenarts heeft bevestigd dat de structuur en de omvang van deze produktie-eenheden, alsmede de aldaar uitgevoerde verrichtingen van dien aard zijn dat deze produktie-eenheden, wat betreft de huisvesting, de verzorging en de voedering, volledig gescheiden zijn, zodat het mond- en klauwzeervirus zich niet van de ene eenheid naar de andere kan verspreiden.
Deze maatregelen, alsook de mogelijkheid om af te wijken van de eisen van artikel 5, onder 2, a), zesde streepje, kunnen uitgebreid worden tot melk producerende bedrijven, op voorwaarde dat bovendien het melken van elke eenheid uitgevoerd wordt op een volledig gescheiden wijze.
2. Indien gebruik wordt gemaakt van lid 1, stellen de Lid-Staten de uitvoeringsbepalingen daarvan vast afhankelijk van de geboden waarborgen op sanitair gebied. Zij stellen de Commissie daarvan in kennis.
3. Volgens de procedure van artikel 16 kan worden besloten dat de in lid 2 bedoelde maatregelen dienen te worden gewijzigd met het oog op de cooerdinatie ervan met de door de Lid-Staten vastgestelde maatregelen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CBb 18 januari 2005, ECLI:NL:CBB:2005:AS3610
- CBb 17 mei 2005, ECLI:NL:CBB:2005:AT5805
- CBb 17 mei 2005, ECLI:NL:CBB:2005:AT5832
- CBb 17 mei 2005, ECLI:NL:CBB:2005:AT5809
- CBb 22 januari 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BH2722
- CBb 17 mei 2005, ECLI:NL:CBB:2005:AT5816
- CBb 7 januari 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AF2740
- Rb. 's-Gravenhage 10 april 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0981
- CBb 19 mei 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BJ0695
- CBb 26 mei 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BJ0675
- CBb 19 mei 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BJ0670
- CBb 19 mei 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BJ0650
- CBb 28 april 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BI4886
- CBb 24 februari 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BI0853
- CBb 19 augustus 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AL8212
- CBb 7 januari 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AF2743
- CBb 7 januari 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AF2742
- CBb 7 januari 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AF2741
- CBb 22 april 2001, ECLI:NL:CBB:2001:AB1545
- CBb 4 mei 2001, ECLI:NL:CBB:2001:AB1507