Art. 13 Richtlijn 85/511/EEG
1. Wanneer in een bedrijf mond- en klauwzeer wordt vastgesteld, kunnen de maatregelen ter bestrijding van de ziekte worden aangevuld door het inenten van de voor de ziekte vatbare dieren in de andere met besmetting bedreigde bedrijven binnen een door de bevoegde autoriteit afgebakend gebied.
2. In het in lid 1 bedoelde geval zien de Lid-Staten erop toe dat:
a) onverminderd de in artikel 5, punt 2, onder b), i), tweede streepje, vastgestelde afwijking en de nationale bepalingen die profylactische inenting tegen mond- en klauwzeer voorschrijven van alle of een gedeelte van de voor deze ziekte vatbare dieren op een gedeelte of op het gehele grondgebied, inenting of herinenting van de voor de ziekte vatbare dieren wordt verboden op de bedrijven bedoeld in artikel 4;
b) injectie met hyperimmuunserum verboden wordt;
c) het gebruikte type mond- en klauwzeervaccin en de wijze van gebruik hiervan in overeenstemming zijn met de algemene aanbevelingen waartoe volgens de procedure van artikel 16 is besloten;
d) het gebruikte vaccin door de bevoegde autoriteit wordt goedgekeurd op basis van de controles uitgevoerd door de nationale laboratoria waarvan de werkzaamheden worden gecooerdineerd door het overeenkomstig artikel 14, lid 3, aangewezen laboratorium;
e) alle uit derde landen ingevoerde vaccins voldoen aan de onder c) bedoelde voorschriften en worden gecontroleerd overeenkomstig het bepaalde onder d).
De Raad stelt op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, de voorschriften vast voor de cooerdinatie van de normen en voor de controle van de entstoffen op het grondgebied van de Gemeenschap.
3. Wanneer soorten, ondersoorten of varianten van het virus zouden voorkomen waartegen de normaal gebruikte vaccins geen of onvoldoende bescherming bieden, stelt de betrokken Lid-Staat de Commissie en de andere Lid-Staten hiervan onmiddellijk in kennis, onder opgave van de dringende maatregelen die hij nodig acht voor de aanpassing van de entstoffen en het gebruik ervan.
4. Wanneer, gezien bovenbedoelde nationale maatregelen, communautaire maatregelen nodig blijken te zijn, worden deze volgens de in artikel 16 bedoelde procedure genomen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CBb 9 september 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BF0067
- CBb 18 januari 2005, ECLI:NL:CBB:2005:AS3610
- CBb 17 mei 2005, ECLI:NL:CBB:2005:AT5805
- CBb 28 april 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BI4764
- CBb 17 mei 2005, ECLI:NL:CBB:2005:AT5832
- CBb 28 april 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BI4888
- CBb 19 december 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BH2628
- CBb 19 december 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BH2627
- CBb 17 mei 2005, ECLI:NL:CBB:2005:AT5809
- CBb 22 januari 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BH2722
- CBb 17 mei 2005, ECLI:NL:CBB:2005:AT5816
- CBb 7 januari 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AF2740
- Rb. Zutphen 26 april 2001, ECLI:NL:RBZUT:2001:AB1316
- Rb. 's-Gravenhage 10 april 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0981
- CBb 19 mei 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BJ0695
- CBb 26 mei 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BJ0675
- CBb 19 mei 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BJ0670
- CBb 19 mei 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BJ0650
- CBb 28 april 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BI4886
- CBb 24 februari 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BI0853