Art. 14 Richtlijn 85/511/EEG
1. De Lid-Staten die inenting tegen mond- en klauwzeer toestaan, stellen een meerjareninentingsplan op dat zij in het Permanent Veterinair Comité aan de Commissie en de andere Lid-Staten voorleggen.
In dit plan moeten worden vermeld:
i) - de frequentie van de inenting;
- de voorwaarden en de voorschriften voor de aanmaak en de controle van de entstoffen die moeten worden gebruikt in de verschillende gevallen van mond- en klauwzeer die mogelijk zijn;
- de »beschermingsnorm";
- de controles inzake gekruiste immuniteit met de varianten;
- de bepaling van de soorten en categorieën dieren waarvoor het inentingsplan geldt;
- de wijze van controle op de distributie, de conservering, de opslag en het gebruik van de entstof;
ii) - de gebruikte virusstammen;
- de kenmerken en de samenstelling van elke gebruikte entstof.
2. Tot cooerdinatie van de maatregelen die de Lid-Staten overeenkomstig lid 1, onder i), hebben vastgesteld in het kader van hun nationale inentingsprogramma's tegen mond- en klauwzeer wordt besloten volgens de procedure van artikel 16, ten einde de doeltreffendheid van deze maatregelen te waarborgen.
3. Vóór 1 januari 1987 wijst de Raad op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, het in artikel 13 bedoelde gespecialiseerde instituut aan en beslist over de bevoegdheden ervan; hij wijst tevens het instituut aan dat wordt belast met de controles van de entstoffen en van de gekruiste immuniteit.
4. Vóór 1 januari 1989 dient de Commissie bij de Raad een verslag, eventueel vergezeld van voorstellen, in over de voorschriften met betrekking tot de aanmaak en de distributie van mond- en klauwzeervaccins in de Gemeenschap, alsmede voorstellen betreffende de vorming van een communautaire reserve van mond- en klauwzeervaccins.