Art. 13 Verordening (EEG) nr. 1785/81
1. Voor alle invoer in of uitvoer uit de Gemeenschap van de in artikel 1, lid 1, sub a), b), c), d), f) en g), genoemde produkten moet een invoer- of een uitvoercertificaat worden overgelegd, dat door de Lid-Staten wordt afgegeven aan elke belanghebbende die daartoe het verzoek doet, ongeacht zijn plaats van vestiging in de Gemeenschap.
Wanneer de heffing of de restitutie vooraf wordt vastgesteld, wordt de voorafgaande vaststelling opgenomen in het certificaat dat tot bewijs van deze voorafgaande vaststelling dient.
Het certificaat is geldig in de gehele Gemeenschap.
De afgifte van het certificaat is afhankelijk van het stellen van een waarborg, als garantie dat tijdens de geldigheidsduur van het certificaat aan de verplichting tot invoer of uitvoer zal worden voldaan; deze waarborg wordt geheel of gedeeltelijk verbeurd indien de invoer of de uitvoer niet of slechts ten dele binnen deze termijn plaatsvindt.
2. De in dit artikel neergelegde regeling kan volgens de procedure van artikel 41 worden uitgebreid tot de produkten genoemd in artikel 1, lid 1, sub e). Volgens dezelfde procedure worden vastgesteld de geldigheidsduur van de certificaten en de overige uitvoeringsbepalingen van dit artikel, waarin in het bijzonder een termijn voor de afgifte van de certificaten kan worden bepaald.