Art. 18 Zesde Richtlijn 77/388/EEG, Wijze van uitoefening van het recht op aftrek
1. Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen moet de belastingplichtige :
a) voor de in artikel 17 , lid 2 , sub a ) , bedoelde aftrek in het bezit zijn van een overeenkomstig artikel 22 , lid 3 , opgestelde factuur ;
b) voor de in artikel 17 , lid 2 , sub b ) , bedoelde aftrek in het bezit zijn van een document waaruit de invoer blijkt en waarin hij wordt aangeduid als degene waarvoor de invoer is bestemd of als de importeur , en waarin het bedrag van de verschuldigde belasting wordt vermeld of op grond waarvan dat bedrag kan worden berekend ;
c) voor de in artikel 17 , lid 2 , sub c ) , bedoelde aftrek , de door elke Lid-Staat voorgeschreven formaliteiten vervullen ;
d) wanneer hij gehouden is tot voldoening van de belasting als koper of ontvanger , in geval van toepassing van artikel 21 , punt 1 , de door elke Lid-Staat voorgeschreven formaliteiten vervullen .
2. De belastingplichtige past de aftrek toe door op het totaalbedrag van de over een aangifteperiode verschuldigde belasting het totaalbedrag van de belasting in mindering te brengen waarvoor in dezelfde periode het recht op aftrek is ontstaan en krachtens het bepaalde in lid 1 kan worden uitgeoefend .
De Lid-Staten kunnen evenwel bepalen dat belastingplichtigen die de in artikel 4 , lid 3 , omschreven handelingen incidenteel verrichten , het recht op aftrek uitsluitend op het tijdstip van levering mogen uitoefenen .
3. De Lid-Staten stellen de voorwaarden en voorschriften vast volgens welke een belastingplichtige een aftrek mag verrichten indien hij deze niet overeenkomstig de bepalingen van de leden 1 en 2 heeft toegepast .
4. Indien voor een bepaalde aangifteperiode het bedrag van de toegestane aftrek groter is dan dat van de verschuldigde belasting , kunnen de Lid-Staten hetzij het overschot doen overbrengen naar de volgende periode , hetzij het overschot teruggeven overeenkomstig de door hen vastgestelde regeling .
De Lid-Staten kunnen evenwel bepalen dat het bedrag van het overschot niet naar een volgende periode wordt overgebracht , of niet wordt teruggegeven , indien dit bedrag onbeduidend is .