Art. 20 Zesde Richtlijn 77/388/EEG, Herziening van de aftrek

Zesde Richtlijn 77/388/EEG

1. De oorspronkelijk toegepaste aftrek wordt op de door de Lid-Staten vastgestelde wijze herzien , met name :

a) indien de aftrek hoger of lager is dan die welke de belastingplichtige gerechtigd was toe te passen ;

b) indien zich na de aangifte wijzigingen hebben voorgedaan in de elementen die in aanmerking zijn genomen voor het bepalen van het bedrag van de aftrek , met name in geval van geannuleerde aankopen of verkregen rabatten ; er vindt evenwel geen herziening plaats voor handelingen die geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven , in geval van naar behoren bewezen en aangetoonde vernietiging , verlies of diefstal , alsmede in geval van onttrekkingen voor het verstrekken van geschenken van geringe waarde en van monsters , als bedoeld in artikel 5 , lid 6 . De Lid-Staten kunnen evenwel herziening eisen in geval van geheel of gedeeltelijk onbetaald gebleven handelingen en van diefstal .

2. Voor investeringsgoederen wordt de herziening gespreid over een periode van vijf jaar , het jaar van verkrijging of vervaardiging der goederen daaronder begrepen . Voor elk jaar heeft deze herziening slechts betrekking op een vijfde gedeelte van de op de goederen drukkende belasting . De herziening geschiedt op basis van de wijzigingen in het recht op aftrek in de loop van de volgende jaren ten opzichte van het jaar van verkrijging of vervaardiging der goederen .

In afwijking van de voorgaande alinea kunnen de Lid-Staten de herziening baseren op een periode van vijf volle jaren te rekenen vanaf de ingebruikneming van de goederen .

Voor onroerende investeringsgoederen kan de herzieningsperiode tot maximaal 10 jaar worden verlengd .

3. In geval van levering gedurende de herzieningsperiode worden de investeringsgoederen geacht verder voor een economische activiteit van de belastingplichtige te worden gebruikt totdat de herzieningsperiode is afgelopen . Deze economische activiteit wordt geacht volledig belast te zijn wanneer de levering van de betrokken goederen belast is ; zij wordt geacht volledig vrijgesteld te zijn wanneer de levering vrijgesteld is . De herziening wordt in één keer verricht voor de gehele nog resterende herzieningsperiode .

In het laatste geval kunnen de Lid-Staten ervan afzien herziening te eisen voor zover de koper een belastingplichtige is die de betrokken investeringsgoederen uitsluitend gebruikt voor handelingen waarvoor de belasting over de toegevoegde waarde in aftrek mag worden gebracht .

4. Voor de toepassing van het bepaalde in de leden 2 en 3 kunnen de Lid-Staten :

- het begrip investeringsgoederen definiëren ;

- het bedrag aan belasting dat bij de herziening in aanmerking moet worden genomen , nader bepalen ;

- alle passende maatregelen nemen om te verzekeren dat de herziening geen ongerechtvaardigde voordelen inhoudt ;

- administratieve vereenvoudigingen toestaan .

5. Indien in een Lid-Staat het praktisch effect van de toepassing van de leden 2 en 3 onbeduidend is , kan die Lid-Staat , onder voorbehoud van de raadpleging van artikel 29 , afzien van de toepassing van deze leden , rekening houdend met de totale belastingdruk in de betrokken Lid-Staat en de noodzaak van administratieve vereenvoudiging en mits zulks niet tot concurrentievervalsing leidt .

6. Bij overgang van een normale belastingregeling naar een bijzondere regeling , of andersom , kunnen de Lid-Staten de nodige schikkingen treffen om te verzekeren dat de betrokken belastingplichtigen noch ten onrechte voordelen genieten , noch ten onrechte nadelen ondervinden .