Art. 22 Zesde Richtlijn 77/388/EEG, Verplichtingen in het binnenlands verkeer
1. Iedere belastingplichtige moet opgave doen van het begin , de wijziging en de beëindiging van zijn activiteit als belastingplichtige .
2. Iedere belastingplichtige moet een boekhouding voeren welke voldoende gegevens bevat om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde en de controle daarop door de belastingadministratie mogelijk te maken .
3. a ) Iedere belastingplichtige moet voor goederen , geleverd aan en voor diensten , verricht voor een andere belastingplichtige , een factuur of een als zodanig dienst doend document uitreiken en daarvan een dubbel bewaren .
Evenzo moet iedere belastingplichtige een factuur uitreiken voor de vooruitbetalingen , die door een andere belastingplichtige aan hem worden gedaan voordat de levering of de dienst is verricht .
b) In de factuur moeten afzonderlijk zijn vermeld : de prijs exclusief belasting , de belasting volgens elk afzonderlijk tarief , alsook , in voorkomend geval , de vrijstelling .
c) De Lid-Staten stellen de criteria vast volgens welke een document kan worden geacht dienst te doen als factuur .
4. Iedere belastingplichtige moet binnen een door elke Lid-Staat vast te stellen termijn een aangifte indienen . Deze termijn mag niet langer zijn dan twee maanden na het verstrijken van elk belastingtijdvak . Dit tijdvak kan door de Lid-Staten worden vastgesteld op één , twee of drie maanden . De Lid-Staten kunnen evenwel andere tijdvakken vaststellen , die echter niet langer dan een jaar mogen zijn .
In de aangifte moeten alle gegevens staan die nodig zijn om het bedrag van de verschuldigde belasting en van de aftrek vast te stellen , daarbij eventueel inbegrepen , voor zover zulks voor de vaststelling van de grondslag nodig is , het totale bedrag van de handelingen waarop deze belasting en deze aftrek betrekking hebben alsmede het bedrag van de vrijgestelde handelingen .
5. Iedere belastingplichtige moet het nettobedrag van de belasting over de toegevoegde waarde bij de indiening van de periodieke aangifte voldoen . De Lid-Staten kunnen echter een ander tijdstip voor de betaling van dit bedrag vaststellen of bepalen dat voorlopige vooruitbetalingen moeten worden gedaan .
6. De Lid-Staten kunnen de belastingplichtige verzoeken een aangifte in te dienen betreffende alle in het voorgaande jaar verrichte handelingen met daarin alle in lid 4 bedoelde gegevens . In die aangifte moeten tevens alle gegevens staan die nodig zijn voor eventuele herzieningen .
7. De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat de personen die overeenkomstig artikel 21 , punt 1 , sub a ) en b ) , geacht worden tot voldoening van de belasting te zijn gehouden in plaats van een in het buitenland gevestigde persoon of die hoofdelijk verplicht zijn de belasting te voldoen , de bovenbedoelde verplichtingen inzake aangifte en betaling nakomen .
8. Onverminderd de krachtens artikel 17 , lid 4 , vast te stellen bepalingen , kunnen de Lid-Staten andere verplichtingen voorschrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborging van de juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van fraude .
9. De Lid-Staten kunnen belastingplichtigen ontheffen :
- van bepaalde verplichtingen ;
- van alle verplichtingen , indien zijn slechts vrijgestelde handelingen verrichten ;
- van betaling van de verschuldigde belasting , indien het bedrag daarvan onbeduidend is .