Art. 17 Zesde Richtlijn 77/388/EEG, Ontstaan en omvang van het recht op aftrek

Zesde Richtlijn 77/388/EEG

1. Het recht op aftrek ontstaat op het tijdstip waarop de aftrekbare belasting verschuldigd wordt .

2. Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen mag de belastingplichtige van de door hem verschuldigde belasting aftrekken :

a) de belasting over de toegevoegde waarde , welke verschuldigd of voldaan is voor de hem door een andere belastingplichtige geleverde of te leveren goederen en voor de te zijnen behoeve door een andere belastingplichtige verrichte of te verrichten diensten ;

b) de belasting over de toegevoegde waarde , welke verschuldigd of voldaan is voor ingevoerde goederen ;

c) de belasting over de toegevoegde waarde , welke overeenkomstig artikel 5 , lid 7 , sub a ) , en artikel 6 , lid 3 , verschuldigd is .

3. De Lid-Staten verlenen eveneens aan iedere belastingplichtige recht op aftrek of op teruggaaf van de in lid 2 bedoelde belasting over de toegevoegde waarde , voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor :

a) door de belastingplichtige in het buiteland verrichte handelingen in het kader van de in artikel 4 , lid 2 , bedoelde economische activiteiten , waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland plaats zouden vinden ;

b) door de belastingplichtige verrichte handelingen die overeenkomstig artikel 14 , lid 1 , sub i ) , artikel 15 en artikel 16 , lid 1 , punten B , C en D , en lid 2 , zijn vrijgesteld ;

c) door de belastingplichtige verrichte handelingen die krachtens artikel 13 , punt B , sub a ) en sub d ) , punten 1 tot en met 5 , zijn vrijgesteld , wanneer de ontvanger buiten de Gemeenschap gevestigd is of wanneer de handelingen rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap .

4. De Raad zal zich beijveren om voor 31 december 1977 op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen communautaire uitvoeringsbepalingen aan te nemen volgens welke overeenkomstig lid 3 teruggaaf aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen moet geschieden . Tot de inwerkingtreding van die communautaire uitvoeringsbepalingen , bepalen de Lid-Staten zelf de voorschriften voor het verrichten van de teruggaaf . Is de belastingplichtige niet op het grondgebied van de Gemeenschap gevestigd , dan kunnen de Lid-Staten de teruggaaf weigeren of hiervoor bijkomende voorwaarden stellen .

5. Voor goederen en diensten die door een belastingplichtige zowel worden gebruikt voor handelingen als bedoeld in de leden 2 en 3 , waarvoor recht op aftrek bestaat , als voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat , wordt aftrek slechts toegestaan voor dat gedeelte van de belasting over de toegevoegde waarde , dat evenredig is aan het bedrag van de eerstbedoelde handelingen ( pro rata ) .

Dit pro rata wordt overeenkomstig de bepalingen van artikel 19 bepaald voor het totaal van de door de belastingplichtige verrichte handelingen .

De Lid-Staten kunnen evenwel :

a) de belastingplichtige toestaan een pro rata te bepalen voor iedere sector van zijn bedrijfsuitoefening , indien voor ieder van deze sectoren een aparte boekhouding wordt gevoerd ;

b) de belastingplichtige verplichten voor iedere sector van zijn bedrijfsuitoefening een pro rata te bepalen en voor ieder van deze sectoren een aparte boekhouding te voeren ;

c) de belastingplichtige toestaan of verplichten de aftrek toe te passen volgens het gebruik van de goederen en diensten of van een deel daarvan ;

d) de belastingplichtige toestaan of verplichten de aftrek toe te passen volgens de in de eerste alinea vastgestelde regel voor alle goederen en diensten die zijn gebruikt voor alle daarin bedoelde handelingen ;

e) bepalen dat , wanneer de belasting over de toegevoegde waarde die niet door de belastingplichtige kan worden afgetrokken , onbeduiden is , hiermee geen rekening wordt gehouden .

6. Uiterlijk binnen vier jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn , bepaalt de Raad , op voorstel van de Commissie , met eenparigheid van stemmen , voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde bestaat . De uitgaven die geen strikt professioneel karakter hebben , zoals weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie , zijn in elk geval van het recht op aftrek uitgesloten .

Totdat de hierboven bedoelde voorschriften in werking treden kunnen de Lid-Staten elke uitsluiting handhaven waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van deze richtlijn voorzag .

7. Onder voorbehoud van de in artikel 29 bedoelde raadpleging kan elke Lid-Staat om conjuncturele redenen investeringsgoederen of andere goederen geheel of gedeeltelijk van de aftrekregeling uitsluiten . Ten einde gelijke concurrentievoorwaarden te behouden , kunnen de Lid-Staten in plaats van de aftrek te weigeren , de door de belastingplichtige zelf vervaardigde of door hem in het binnenland gekochte dan wel door hem ingevoerde gelijksoortige goederen zodanig belasten dat deze belasting het bedrag van de op de aanschaf van soortgelijke goederen drukkende belasting over de toegevoegde waarde niet overschrijdt .

Uitspraken die dit artikel aanhalen