Art. 4 Richtlijn 73/148/EEG
1. Iedere Lid-Staat verleent een permanent verblijfsrecht aan de onderdanen van de overige Lid-Staten die zich op zijn grondgebied vestigen ten einde daar een werkzaamheid , anders dan in loondienst , uit te oefenen , wanneer de beperkingen betreffende deze werkzaamheid krachtens het Verdrag zijn opgeheven .
Het recht van verblijf wordt vastgesteld door de afgifte van een document , " verblijfskaart van onderdaan van een Lid-Staat der Europese Gemeenschappen " genoemd . De geldigheidsduur van dit document bedraagt ten minste 5 jaar na de datum van afgifte ; het kan automatisch worden verlengd .
Onderbrekingen van het verblijf van niet meer dan zes opeenvolgende maa * den en afwezigheid wegens het vervullen van militaire dienstplicht hebben geen invloed op de geldigheid van de verblijfskaart .
De nog geldige verblijfskaart kan niet worden ingetrokken enkel op grond van het feit dat de in artikel 1 , lid 1 , sub a ) , bedoelde onderdaan , wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte of ongeval , geen werkzaamheden meer uitoefent .
De onderdanen van een Lid-Staat die niet zijn genoemd in de eerste alinea , doch die op het grondgebied van een andere Lid-Staat krachtens de wetgeving daarvan worden toegelaten om daar een werkzaamheid uit te oefenen , verkrijgen een verblijfsvergunning waarvan de duur ten minste gelijk is aan die van de machtiging tot uitoefening van die werkzaamheid .
De in de eerste alinea genoemde onderdanen , op wie , ingevolge verandering van werkkring , de bepalingen van de vorige alinea van toepassing zijn , behouden evenwel hun verblijfskaart tot de vervaldag daarvan .
2. Voor de personen die diensten verrichten en degenen te wier behoeve de dienst wordt verricht , komt het verblijfsrecht overeen met de duur van de dienstverrichting .
Indien deze duur meer dan drie maanden bedraagt , geeft de Lid-Staat waar de dienstverrichting plaats heeft , ten bewijze van dit recht een verblijfsvergunning af .
Indien deze duur drie maanden of minder bedraagt , geldt de identiteitskaart of het paspoort , waarmee de betrokkene het grondgebied heeft betreden , als verblijfsvergunning . De Lid-Staat kan evenwel de betrokkene de verplichting opleggen kennis te geven van zijn aanwezigheid op het grondgebied .
3. Wanneer een familielid niet de nationaliteit van een Lid-Staat bezit , wordt hem een verblijfsdocument verstrekt dat dezelfde rechtskracht bezit als het document , afgegeven aan de ingezetene van wie hij afhankelijk is .