Art. 2 Richtlijn 73/148/EEG
1. De Lid-Staten verlenen aan de in artikel 1 bedoelde personen het recht , hun grondgebied te verlaten . Voor de uitoefening van dit recht behoeft slechts een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort te worden overgelegd . Dit recht is voor de familieleden hetzelfde als voor de onderdaan van wie zij afhankelijk zijn .
2. Overeenkomstig hun wetgeving verstrekken de Lid-Staten hun onderdanen een identiteitskaart of een paspoort , waarin met name de nationaliteit wordt vermeld , of verlengen zij deze documenten .
3. Het paspoort dient ten minste geldig te zijn voor alle Lid-Staten alsook voor de landen die een rechtstreekse verbinding tussen de Lid-Staten vormen . Ingeval het paspoort het enige document is waarmee men het land mag verlaten , moet zijn geldigheidsduur ten minste vijf jaar bedragen .
4. De Lid-Staten kunnen aan de in artikel 1 bedoelde personen geen uitreisvisum voorschrijven of een gelijkwaardige verplichting opleggen .