Rb. 's-Gravenhage 12 mei 2003, ECLI:NL:RBSGR:2003:AI0756

Bewaring / EU-onderdaan / prejudiciële vragen. Centraal in de eerste procedure staat verweerders werkwijze om een persoon die stelt toerist en onderdaan van een lidstaat te zijn, en die niet beschikt over een verblijfsvergunning of een document EU/EER, eerst vanaf het moment dat hij zijn geldige identiteitskaart of geldige paspoort toont, te beschouwen als een onderdaan van een andere lidstaat en, omdat sprake is van de ontvangst van diensten als toerist, ook pas vanaf dat moment te beschouwen als gemeenschapsonderdaan met een verblijfsrecht in Nederland in de zin van de richtlijn 73/148/EEG. Indien en zolang die documenten niet worden getoond, gaat verweerder uit van illegaal verblijf. Als het belang van de openbare orde zulks vordert, vordert verweerder inbewaringstelling ter fine van uitzetting, tenzij de documenten alsnog gedurende de periode van ophouding van maximaal zes uur worden getoond. Eiser is staandegehouden op grond van artikel 50, eerste lid, Vw 2000 wegens redelijk vermoeden van illegaal verblijf. De werkwijze van verweerder roept de vraag op of eiser, die stelt onderdaan te zijn van een lidstaat, gezien het vrije personenverkeer, verplicht kan worden zulks aan te tonen en wel uitsluitend door het tonen van zijn geldige identiteitskaart of geldige paspoort. Voorts komt de vraag op of de maatregel van bewaring, genomen in het belang van de openbare orde wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf, niet in feite neerkomt op een bestuursrechtelijke sanctie op niet-naleving van de verplichting het burgerschap van een andere lidstaat aan te tonen door middel van genoemde documenten. Centraal in de tweede procedure staat verweerders opvatting dat aan degene die stelt EU-onderdaan te zijn en die onderdaan is van een lidstaat, geen verblijfsrecht toekomt als gemeenschapsonderdaan in een andere lidstaat indien en zolang hij zich niet op het vrije verkeer beroept. De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of de autoriteiten van een lidstaat eigener beweging moeten onderzoeken of betrokkene verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan heeft of dat mag worden verlangd dat de burger uitdrukkelijk of stilzwijgend zelf een beroep doet op het vrije verkeer van personen. De rechtbank acht het in beide beroepsprocedures geraden het Hof van Justitie vragen voor te leggen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen