Rb. 's-Gravenhage 13 september 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BO7110
Referente heeft van 2001 tot 2005 rechtmatig op Kreta gewoond. Deze omstandigheid brengt echter niet mee dat referente op grond van dat verblijf ook in haar huidige situatie onder de werking van het EU-recht valt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat onvoldoende verband bestaat tussen het verblijf van referente op Kreta tot 2005 en haar huidige situatie. Eiser en referente hebben in 2008 zes weken samen op Kreta verbleven. Dit verblijf biedt onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat het EU-recht (op grond van artikel 8.7 van het Vb 2000 analoog) van toepassing is op de huidige situatie van eiser en referente. Het verblijf van eiser en referente op Kreta was gegrond op artikel 6 van de verblijfsrichtlijn, voor een korte vakantie. Referente dient te worden aangemerkt als dienstenontvanger. De rechtbank is van oordeel dat dit niet zodanig is, dat het kortstondige verblijf een doorwerking heeft op de huidige situatie in Nederland in die zin dat eiser op grond daarvan duurzaam in een (andere) lidstaat van de EU zou kunnen verblijven. Hierbij is van belang dat het verblijf kortdurend is. Referente wordt niet belemmerd in haar recht op gebruikmaking van vrij verkeer.
De uitspraak op rechtspraak.nl