Rb. 's-Gravenhage 14 maart 2003, ECLI:NL:RBSGR:2003:AF7245
Bewaring / EU-onderdaan / rechtmatig verblijf. De vreemdeling is de maatregel van bewaring opgelegd nadat hij is aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet. Tijdens zijn verhoor heeft de vreemdeling aangegeven dat hij naar Nederland was gekomen om drugs te kopen en te gebruiken en dat hij bij vrienden verbleef. De vreemdeling heeft de Franse nationaliteit. Dat de vreemdeling in Nederland op bezoek bij vrienden was, verstaat de rechtbank als een betoog dat de vreemdeling als toerist in Nederland zou verblijven. Echter, de vreemdeling heeft onvoldoende feiten aangetoond op basis waarvan hij gekwalificeerd zou kunnen worden als toerist. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het kopen van drugs niet gekwalificeerd kan worden als het verrichten van diensten. De vreemdeling was derhalve ten tijde van de vrijheidsbenemende maatregel op die grond geen gemeenschapsonderdaan. Ingevolge artikel 50, derde en vierde lid, Vw 2000 is het aan verweerder te onderzoeken of eiser op grond van de Ziektekosten- en Bestaansmiddelenrichtlijn rechtmatig verblijf in Nederland had. Niet is gebleken dat verweerder hiernaar zorgvuldig onderzoek heeft verricht, hetgeen een ernstig gebrek vormt in verweerders besluitvorming. Derhalve gaat de rechtbank ervan uit dat de vreemdeling wel aan de voorwaarden voldeed, derhalve gemeenschapsonderdaan was en dus rechtmatig verblijf had ex artikel 8, sub e, Vw 2000. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of het verblijfsrecht van de vreemdeling is geëindigd door het kopen van harddrugs. In artikel 8.7, eerste lid aanhef en onder a, Vb 2000 staat dat een gemeenschapsonderdaan de toegang kan worden geweigerd indien hij een actuele bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt. Echter, de Vw 2000 bevat geen wettelijke basis om nadere regels te stellen omtrent het beëindigen van het verblijfsrecht van een vreemdeling die op grond van de Ziektekosten- en Bestaansmiddelenrichtlijn gemeenschapsonderdaan is. Derhalve kan artikel 8.7 Vb 2000 de vreemdeling niet worden tegengeworpen en is het verblijfsrecht niet geëindigd. Ook artikel 112 Vw 2000 kan daartoe niet dienen, aangezien geen sprake is van gunstige afwijking van het bepaalde in de Vw 2000. Artikel 62, derde lid, aanhef en onder b, Vw 2000 is evenmin van toepassing, aangezien naar het oordeel van de rechtbank met dit artikel gedoeld wordt op een illegaal in Nederland verblijvende vreemdeling. In het vierde lid van artikel 62, Vw 2000 is bepaald dat de minister de vertrektermijn kan bekorten. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank geen besluit genomen waarin de vreemdeling is meegedeeld dat zijn verblijfsrecht is komen te vervallen als gevolg van zijn handelen en dat hem geen termijn vergund wordt om zelf het land te verlaten, waardoor hij direct uitzetbaar is. Een dergelijk besluit kan ook niet gelezen worden in het besluit tot het treffen van de bewaringsmaatregel. Nu het er voor gehouden moet worden dat de minister de vertrektermijn niet bij besluit verkort heeft, was de vreemdeling ten tijde van de vrijheidsbenemende maatregel niet uitzetbaar. Aangezien een vreemdeling op grond van artikel 59, eerste lid, Vw 2000 slechts in bewaring kan worden gesteld ter fine van uitzetting en aangezien daar op het moment van het treffen van de maatregel geen zicht op was, is de rechtbank van oordeel dat de inbewaringstelling onrechtmatig is geweest. Beroep gegrond, toewijzing verzoek om schadevergoeding.
De uitspraak op rechtspraak.nl