Art. 8 Verordening (EEG) nr. 1191/69
1. Een Lid-Staat die voornemens is ten aanzien van lijnen of diensten maatregelen tot opheffing van de exploitatieplicht of de vervoerplicht te nemen , die de handel of het verkeer tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beinvloeden , deelt deze maatregelen aan de Commissie mede voordat zij ten uitvoer worden gelegd . Hij stelt de andere Lid-Staten hiervan in kennis .
2. Indien de Commissie het dienstig acht of indien een andere Lid-Staat daarom verzoekt , pleegt de Commissie met de Lid-Staten overleg over de beoogde maatregelen .
3. Binnen twee maanden na ontvangst van de in lid 1 bedoelde mededeling richt de Commissie een advies of een aanbeveling aan elke betrokken Lid-Staat .