Art. 3 Verordening (EEG) nr. 1191/69
1. Wanneer de bevoegde instanties van de Lid-Staten besluiten een openbare dienstverplichting volledig of gedeeltelijk te handhaven , en er verscheidene oplossingen zijn die onder overeenkomstige voorwaarden een toereikende vervoervoorziening waarborgen , kiezen de bevoegde instanties de oplossing die de laagste kosten voor de gemeenschap meebrengt .
2. De toereikendheid van de vervoervoorziening wordt beoordeeld op grond van :
a) het algemeen belang ;
b) de mogelijkheid om andere vervoertechnieken toe te passen , waarbij tevens moet worden nagegaan of hiermede in de desbetreffende behoeften aan vervoer kan worden voorzien ;
c) de prijzen en vervoervoorwaarden die aan de gebruikers kunnen worden geboden .