ABRvS 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2458
Bij besluit van 6 februari 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het Nederlanderschap van [appellant] ingetrokken. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat zijn beroep op het ne-bis-in-idembeginsel niet slaagt. Hij voert aan dat de staatssecretaris de handelingen die ten grondslag hebben gelegen aan zijn strafrechtelijke veroordeling, nu ook ten grondslag heeft gelegd aan de intrekking van het Nederlanderschap. Dat maakt volgens hem dat sprake is van een dubbele bestraffing. Volgens [appellant] had de rechtbank niet mogen volstaan met een verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3045, omdat het door de Afdeling gehanteerde toetsingskader in die uitspraak onvolledig is. De rechtbank had volgens hem zelf moeten toetsen aan de criteria uit het arrest van het EHRM van 8 juni 1976, Engel en anderen tegen Nederland, ECLI:CE:EHCR:1976:0608JUD000510071. Volgens [appellant] is sprake van een punitieve sanctie.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2093
- ABRvS 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2094
- ABRvS 5 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2861
- EHRM 1 februari 2022, ECLI:CE:ECHR:2022:0201DEC002780119
- ABRvS 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3045
- EHRM 25 juni 2020, ECLI:CE:ECHR:2020:0625JUD005227316
- Hof Arnhem-Leeuwarden 19 juli 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:6123
- EHCR, ECLI:CE:EHCR:1976:0608JUD000510071
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2010:104