Rb. Midden-Nederland 11 april 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:1483

Wob; tenderprocedure speelautomatenhalvergunning; spoedeisend belang; misbruik van recht; openbaarmakingstermijn; bedrijfs- en fabricagegegevens; onevenredige bevoor- of benadeling; ondeugdelijke motivering; toewijzing verzoek artikel 6, lid 5; artikel 10, lid 1 onder c en 10, lid 2 onder g Wob. Verweerder heeft een fout gemaakt door bij het verstrekken van de documenten de tweewekentermijn van de Wob niet in acht te nemen. Dit leidt niet tot een onrechtmatig besluit omdat openbaarmaking een feitelijke handeling is. De openbaarmaking is beperkt tot het feitelijk verstrekken van de documenten aan de Wob-verzoekster. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verzoekster als derde-belanghebbende nog een spoedeisend belang heeft om zo verdere verspreiding van haar plan van aanpak aan andere derden te voorkomen. De voorzieningenrechter oordeelt dat de bijzondere openbaarmakingsregeling van artikel 2.57 van de Aanbestedingswet 2012 niet van toepassing is. Wob-verzoekster kon geen gebruik maken van haar inzagerecht van de Awb voor de documenten. Het Wob-verzoek is terecht in behandeling is genomen. Er is geen reden om te concluderen dat Wob-verzoekster in deze procedure misbruik gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om een verzoek op openbaarmaking in te dienen of dat er sprake is van een verboden ‘fishing expedition’ in het kader van een andere juridische procedure. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Verweerder moet nog de ongelakte documenten overleggen en een aanvullende motivering geven waarom de plannen van aanpak geen bedrijfs- of fabricagegegevens bevatten als bedoeld in artikel 10, eerste lid en onder c, de Wob. Ook moet verweerder motiveren waarom openbaarmaking van de plannen van aanpak niet leidt tot een onevenredige benadeling van verzoekster. (ZIE OOK: ECLI:NL:RBMNE:2020:1774)

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken