CBb 10 mei 2016, ECLI:NL:CBB:2016:105

Mede gelet op het verhandelde ter zitting bij het College is komen vast te staan dat appellant sub 1 en appellanten sub 4 tot en met sub 14 houders zijn van aandelen in SNS REAAL en/of achtergestelde obligaties in SNS Bank en dat appellante sub 2 de collectieve belangen van houders in achtergestelde obligaties in SNS Bank behartigt. Het SREP-besluit betreft een door DNB aan SNS Bank opgelegde verplichting om haar kernkapitaal aan te vullen. Het College houdt het ervoor dat een eventuele waardevermindering van de effecten een belang van appellanten betreft dat uitsluitend voortvloeit uit de contractuele relatie die berust op hun hoedanigheid als houder van aandelen en/of achtergestelde obligaties van SNS REAAL en/of SNS Bank. Dat geldt evenzeer voor de beslissing van SNS REAAL en SNS Bank om hun bezwaren tegen het SREP-besluit in te trekken en te berusten in de (destijds) aan SNS Bank opgelegde verplichting om haar kernkapitaal aan te vullen. Appellanten hebben geen eigen, aan SNS Bank tegengesteld belang, maar een afgeleid belang bij het SREP-besluit. De door appellanten gemaakte vergelijking met civiele rechtspraak waarin volgens hen wordt aangenomen dat een aandeelhouder van een vennootschap ontvankelijk is in een vordering tegen een derde tot vergoeding van het koersverlies op zijn aandelen dat (mede) is ontstaan doordat deze derde de vennootschap schade heeft toegebracht, indien de vennootschap zelf niet (meer) in staat is om schadevergoeding van de derde te vorderen, stuit af op het hier van toepassing zijnde artikel 1:2 van de Awb. Het betoog van appellanten dat zij een rechtstreeks belang hebben bij het SREP-besluit, omdat dit besluit en het onteigeningsbesluit als één besluit moeten worden aangemerkt en appellanten in de onteigeningsprocedure wel als belanghebbende zijn aangemerkt, faalt eveneens. — Vast staat dat het SREP-besluit enkel berust op artikel 3:llla, tweede lid, in samenhang met de artikelen 3:17 en 3:18a van de Wft en de artikelen 24a en 25a van het Besluit prudentiële regels Wft. Uit deze bepalingen volgt niet dat een dergelijk besluit van DNB ertoe strekt een maatregel te zijn ter voorbereiding van een onteigeningsbesluit. Het onteigeningsbesluit heeft de minister zelfstandig en onder eigen verantwoordelijkheid genomen. Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het College het SREP-besluit feitelijk noch rechtens worden beschouwd als samenvallend met, dan wel deel uitmakend van, het onteigeningsbesluit. Het onteigeningsbesluit heeft de onteigening van de effecten bewerkstelligd. Dat in de onteigeningsprocedure een beoordeling van de rechtmatigheid van het SREP-besluit niet aan de orde is (geweest) en de Afdeling in deze procedure appellanten wel als belanghebbende heeft aangemerkt, maakt het voorgaande niet anders. Voor de onteigening van de effecten en vermogensbestanddelen kon aan SNS REAAL en SNS Bank om schadeloosstelling worden verzocht. — De begrenzing ten aanzien van wie bezwaar en beroep tegen een besluit kan instellen is in dit geval gelegen in de contractuele relatie die de bezwaarmakers hebben met degene tot wie het desbetreffende besluit is gericht. Als houders van aandelen en achtergestelde obligaties hebben bezwaarmakers aanvaard dat de waarde van een verworven effect afhankelijk is van ontwikkelingen in de markt, die onder meer kunnen worden beïnvloed door beslissingen van bestuursorganen en/of het bestuur van de desbetreffende onderneming. (Vermeende) onwelgevallige beslissingen van bestuursorganen zijn aldus te beschouwen als een verwezenlijking van dit door een effectenhouder aanvaarde risico. Zoals volgt uit de zinsnede “degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken” in artikel 1:2 van de Awb kan dit slechts anders zijn indien die beslissingen directe gevolgen hebben of kunnen hebben voor de waarde van effecten. Aangezien het SREP-besluft slechts indirecte gevolgen heeft of kan hebben voor effectenhouders als appellanten, dienen die gevolgen voor hun rekening en risico te komen. Het door appellanten ter zitting ingeroepen artikel 3:4 van de Awb komt pas aan de orde na de (voor)vraag wie bezwaar en beroep kan instellen en biedt dan ook geen grondslag voor een doorbreking dan wel ruimere uitleg van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Voorts wijst het College erop dat appellanten in het kader van een verzoek om schadevergoeding de (vermeende) onrechtmatigheid van het SREP-besluit en/of de genoemde intrekking van SNS REAAL en SNS Bank van hun bezwaar aan de orde kunnen stellen bij de burgerlijke rechter. In het licht van het voorgaande valt niet in te zien dat de door appellanten ingeroepen artikelen 6 en 13 van het EVRM dwingen tot een ruimere uitleg van het wettelijk begrip belanghebbende.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken