Rb. Rotterdam 18 november 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:13748
De ACM heeft aan Mastercard en aan ICS een last onder dwangsom opgelegd die ertoe strekt dat Mastercard aan ICS in het kader van hun bestaande en toekomstige samenwerking geen vergoeding betaalt die per transactie meer bedraagt dan 0,3% van de transactiewaarde als bedoeld in artikel 4 in verbinding met artikel 5 van Verordening (EU) 2015/751 betreffende afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties (de Verordening), dat ICS van Mastercard in het kader van hun bestaande en toekomstige samenwerking geen vergoeding verlangt (en ontvangt) die per transactie meer bedraagt dan 0,3% van de transactiewaarde en dat ICS in het kader van de co-brandingsamenwerking met de Bijenkorf aan laatstgenoemde geen vergoeding betaalt die per transactie meer bedraagt dan 0,3% van de transactiewaarde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de ACM ten onrechte een vierpartijenschema met co-brandingpartner gelijkgesteld aan een vierpartijenschema door niet alleen de betalingen binnen het vierpartijenschema te betrekken bij de vraag of de artikelen 4 en 5 van de Verordening zijn nageleefd, maar tevens de betalingen tussen ICS en de Bijenkorf. De tekst van de Verordening biedt daarvoor geen basis. De Verordening voorziet weliswaar in een gelijkstelling van driepartijenschema’s met co-brandingpartner aan vierpartijenschema’s, maar niet in gelijkstelling van vierpartijenschema’s met co-brandingpartner aan vierpartijenschema’s. Verder valt ook niet in te zien waarom een dergelijke gelijkstelling zou voortvloeien uit de doelstellingen van de Verordening. Als de betalingen van ‘de accepterende kant’ van het schema aan ICS – al dan niet via het betaalkaartschema – voldoen aan het maximum van 0,3% van de transactiewaarde, is gewaarborgd dat de kosten voor winkeliers en uiteindelijk alle consumenten tot het door de Verordening voorgeschreven niveau zijn beperkt en die betalingen bovendien geen toetredingsdrempel vormen. Daarmee is de doelstelling van de Verordening bereikt. Betalingen die ICS aan de Bijenkorf doet die hoger zijn dan het genoemde maximum, kunnen slechts zijn gefinancierd met middelen die niet van de accepterende kant van het schema afkomstig zijn en daarmee uit een bron die in de Verordening niet is gereguleerd. Mastercard, ICS en de Bijenkorf betogen voorts terecht dat de Verordening niet van toepassing is op de door de ACM bij haar beoordeling van de door Mastercard aan ICS betaalde afwikkelingsvergoeding in aanmerking genomen transacties waarbij het verkooppunt (de winkelier in het schema) buiten de EER is.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 1:2 Awb
- Artikel 5:4 Awb
- Artikel 6:7 Awb
- Artikel 6:8 Awb
- Artikel 6:11 Awb
- Artikel 7:1a Awb
- Artikel 8:26 Awb
- Artikel 8:29 Awb
- Artikel 8:45 Awb
- Artikel 2 BPB
- Artikel 1:25a Wft
- Artikel 1:81 Wft
- Artikel 4 Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten
- Artikel 2 Instellingswet Autoriteit Consument en Markt
- Artikel 12j Instellingswet Autoriteit Consument en Markt
- Artikel 103 VWEU
- Artikel 114 VWEU
- Artikel 288 VWEU
- Artikel 5
Aangehaalde uitspraken
- HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1153
- CRvB 9 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1500
- ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2560
- CBb 7 maart 2016, ECLI:NL:CBB:2016:40
- ABRvS 1 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3547
- ABRvS 25 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2265
- ABRvS 28 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT2816
- HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975
- CBb 28 juli 2005, ECLI:NL:CBB:2005:AU1360
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2017:524
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2018:66
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:799