Hof 's-Gravenhage 7 juli 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0686
Het Gerechtshof in Den Haag veroordeelt in hoger beroep de 43-jarige Rwandees J.M. tot een levenslange gevangenisstraf wegens internationale oorlogsmisdrijven gepleegd tijdens de genocide in Rwanda in april 1994. Het hof overweegt dat het gaat om feiten die tot de ernstigste misdrijven gerekend moeten worden die sinds de Tweede Wereldoorlog door de Nederlandse strafrechter zijn berecht. Ook merkt het hof op dat aan de strafoplegging een niet mis te verstaan en ook internationaal gehoord signaal van afschrikking dient uit te gaan. Het hof acht bewezen dat de verdachte, met anderen, voorop heeft gelopen bij een grootscheepse Hutu-aanval op een Adventistencomplex, waar grote aantallen Tutsi-burgers, waaronder vrouwen en kinderen, hun toevlucht hadden genomen. Daarbij zijn talloze vluchtelingen, tenminste honderden, vrijwel letterlijk afgeslacht en gewond geraakt. Ook heeft het hof vastgesteld dat de verdachte toen een belangrijke rol heeft gespeeld bij de aanhouding van een ambulance en het vermoorden van Tutsi-inzittenden. Deze Tutsi-inzittenden, waaronder zeer jonge kinderen, waren op de vlucht voor het oorlogsgeweld tegen de Tutsi’s. Ook speelde de verdachte een beslissende rol bij de aanhouding van een vluchtend gezin, met een enkele maanden oude baby, dat daarna met de dood is bedreigd en - in doodsangst - ernstig is vernederd.
De uitspraak op rechtspraak.nl