Rb. Oost-Brabant 14 februari 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:838
De rechtbank verklaart het beroep gegrond vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase met twee jaar en zeven maanden en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding op grond van overschrijding van de redelijke termijn toe tot een bedrag van € 3.000,-. De beoordeling door de Unit 1(F) van de IND van 13 mei 2013, de brief van de Hoofdofficier van Justitie van het Landelijk Parket van 12 maart 2015 en het individuele ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 31 augustus 2016 bevatten, ook in onderlinge samenhang, voldoende informatie om tot de conclusie te komen dat verweerder heeft aangetoond dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen of handelingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag (Vlv). Omdat eiser zowel bij zijn asiel- als bij zijn naturalisatieverzoek zijn betrokkenheid voorafgaand aan en tijdens de genocide in Rwanda in 1994 heeft verzwegen waarvan hij wist, althans redelijkerwijs kon vermoeden, dat dit van belang was voor de beoordeling van zijn asiel- en naturalisatieverzoek, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat hij essentiële informatie achtergehouden die ertoe zou hebben geleid dat hem een verblijfsvergunning zou zijn onthouden op grond van artikel 1(F) Vlv, als deze informatie bekend zou zijn geweest. Ook zou hij niet in aanmerking zijn gekomen voor verlening van het Nederlanderschap op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN. Eiser heeft geen contra expertise overgelegd. Hij heeft ook geen andere stukken ingediend waaruit concrete aanknopingspunten blijken voor twijfel aan de juistheid van de onderzoeksresultaten. Evenmin is sprake van de situatie dat de motivering van het individueel ambtsbericht op zich voldoende twijfel oproept om aan de conclusie te twijfelen. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om op verzoek van eiser om ter beslechting van het geschil een onafhankelijke deskundige te benoemen. Eiser stelt dat de procedure tot intrekking van het Nederlanderschap hem en zijn kinderen emotioneel, psychisch en financieel zwaar heeft belast. Desondanks heeft verweerder, gelet op de ernst van het verzwijgen van eiser van zijn betrokkenheid bij de genocide in Rwanda en de ernstige verdenking inzake artikel 1(F) Vlv, kunnen overwegen dat het belang van de Nederlandse Staat moet prevaleren boven het behoud van eisers Nederlanderschap. Omdat het beroep dus voor het overige ongegrond is, bepaalt de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Dit betekent dat eiser zijn Nederlanderschap verliest.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 7 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2719
- ABRvS 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:990
- ABRvS 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2865
- ABRvS 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2678
- Rb. Oost-Brabant 1 mei 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:2067
- ABRvS 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674
- ABRvS 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1098
- ABRvS 17 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:448
- ABRvS 29 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2171
- ABRvS 11 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:437
- ABRvS 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:89
- ABRvS 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3938
- EHRM 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212
- ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129
- ABRvS 13 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4161
- ABRvS 23 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2382
- ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188
- ABRvS 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9947
- HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9435
- ABRvS 19 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4915