Rb. Rotterdam 29 mei 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:4046

Wob-verzoeken. Misbruik van recht. De rechtbank beschouwt een elektronisch bericht de avond voorafgaand aan de zitting, waarin wordt geklaagd dat nog niet is beslist op een eerder wrakingsverzoek, niet als een nieuw wrakingsverzoek. Omdat de wrakingskamer zijn verzoeken heeft afgewezen kan de zitting doorgang vinden. De rechtbank stelt vast dat eiser in de onderhavige zaken en andere Wob-zaken zeer omvangrijke verzoeken tot openbaarmaking heeft gedaan. Niet duidelijk is waarin het belang van eiser bij die verzoeken is gelegen, want eiser gaat ieder gesprek daarover uit de weg. De eindeloze reeksen codes die eiser aan zijn stukken geeft en het daarbij hanteren van nieuwe codes voor ingebrekestellingen waarnaar hij in vervolgstukken wijst in plaats van op de codes bij de oorspronkelijke verzoeken, dit in samenhang met de grote hoeveelheid verzoeken die hij doet, gevolgd door reeksen ingebrekestellingen, leiden tot een grote mate van ondoorzichtigheid van de door eiser gevoerde correspondentie. Deze wijze van corresponderen vergroot de kans dat verweerder wegens niet tijdig beslissen dwangsommen verbeurt. Naar het oordeel van de rechtbank kan de wijze waarop gebruik is gemaakt van de wrakingsbevoegdheid bijdragen aan het oordeel dat sprake is van misbruik van recht. Ook eisers bericht van 11 mei 2017, ingediend op de avond voorafgaande aan de behandeling ter zitting in deze zaken, versterkt bij de rechtbank het beeld dat het eiser erom te doen is de afdoening van zijn zaken door de rechtbank te frustreren en het hem niet is te doen om de openbaarmaking van overheidsinformatie. Gelet op het wettelijke systeem en de voorhanden rechtspraak moest voor eiser ook duidelijk zijn dat het ten tijde van het maken van bezwaar – vóór de wetswijziging per 1 oktober 2016 – niet mogelijk was bezwaar te maken tegen het niet tijdig beslissen op een Wob-verzoek en dat het niet mogelijk is rechtsmiddelen in te stellen wegens het niet beslissen op ingebrekestellingen. Hoewel de rechtbank zich ter zake daarvan onbevoegd zal verklaren, draagt deze processtrategie wel bij aan het oordeel dat eiser misbruik maakt van recht. De rechtbank is namelijk van oordeel dat deze additionele beroepen om geen andere reden kunnen zijn ingegeven dan om verweerder te betrekken in zinloze procedures. Gelet op artikel 6:20 van de Awb zijn de beroepen van eiser mede gericht tegen een drietal hangende beroep genomen besluiten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn ook deze beroepen niet-ontvankelijk, omdat de reden van de niet-ontvankelijkheid van de initiële beroepen wegens niet tijdig beslissen op bezwaar zich ook dient uit te strekken tot de beroepen die van rechtswege zijn ontstaan tegen deze nadere besluiten. Het geconstateerde misbruik raakt immers aan de kern van alle beroepen in deze procedures en raakt aldus aan de toegang tot de rechter als zodanig. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser voorts onredelijk lang gewacht met het instellen van beroep. Ook om die reden zouden de initiële beroepen wegens niet tijdig beslissen op de aanvragen en op de bezwaren niet-ontvankelijk zijn geweest. Uit vaste rechtspraak volgt dat een dwangsombesluit niet als een besluit op aanvraag kan worden aangemerkt en dat dit evenzo geldt voor een bezwaar tegen een dwangsombesluit, zodat ten aanzien van het niet tijdig nemen van dwangsombesluiten artikel 4:17 van de Awb niet van toepassing is en geen dwangsommen kunnen worden gestapeld. Hieruit volgt dat verweerder met het besluit van 10 mei 2016 onverschuldigd is overgegaan tot de toekenning van € 1.260. Gelet hierop ziet de rechtbank geen grondslag voor een verschuldigdheid van verweerder om vanwege het tijdstip van betaling van dit bedrag rente te vergoeden. Dit verzoek om schadevergoeding moet dan ook worden afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken