Rb. Rotterdam 19 december 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:10159
Verweerder claimt misbruik van procesrecht. De rechtbank stelt voorop dat de bestuursrechter slechts overgaat tot het rechterlijk oordeel dat sprake is van misbruik van procesrecht in het uitzonderlijke geval waarin een natuurlijk persoon kennelijk onredelijk gebruik maakt van het bestuurs(proces)recht, bijvoorbeeld omdat voor hem evident moest zijn dat het instellen van het rechtsmiddel kansloos was. Voorts kan misbruik van de bevoegdheid om beroep in te stellen worden aangenomen als, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, aannemelijk is dat eiser in redelijkheid niet tot uitoefening van diens bevoegdheid had kunnen komen. Nu de laagdrempeligheid van het bestuursrecht steeds uitgangspunt dient te zijn en misbruik daarvan uitzondering, concludeert de rechtbank dat niet zonder meer mag worden aangenomen dat eiser op zó een buitensporige wijze gebruik heeft gemaakt van zijn wettelijke mogelijkheden om beroepschriften in te dienen, dat hem in álle beroepszaken die aan de orde zijn op voorhand misbruik van (proces)recht kan worden tegengeworpen. De rechtbank wijst er op dat de gemeente bij haar vordering in kort geding een uitzondering heeft willen maken voor zover eisers brieven, faxen of e-mails betrekking hebben op vergunningaanvragen door of namens eiser ingediend, dan wel betrekking hebben op bezwaar- en beroepschriften van eiser tegen beschikkingen die de gemeente aan eiser heeft gericht. In die gevallen kan verweerder zich in ieder geval niet beroepen op misbruik van procesrecht. Naast het feit dat het eiser op grond van de Awb het recht heeft om bezwaar- en beroepschriften in te dienen tegen beschikkingen die een bestuursorgaan aan hem richt, dient ditzelfde uitgangspunt op grond van de Awb te gelden voor beschikkingen, die weliswaar niet aan eiser zijn gericht, doch waarbij eiser als rechtstreeks belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt. Dit leidt tot de conclusie dat de rechtbank per aanhangige zaak zal beoordelen of in die concrete zaak sprake is van misbruik van procesrecht en/of eiser in de proceskosten van verweerder dient te worden veroordeeld. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaken sprake is van misbruik van procesrecht, verklaart de beroepen niet-ontvankelijk en veroordeelt eiser in de proceskosten. Eiser heeft in deze zaken bezwaar gemaakt tegen de mededeling dat de beslistermijn betreffende een door hem ingediende aanvraag of verzoek wordt verlengd. Ingevolge vaste jurisprudentie betreft het hier een voorbereidingshandeling, waartegen geen rechtsmiddelen open staan. Ter zitting heeft verweerder naar voren gebracht dat eiser in het jaar 2012 ongeveer 500 bezwaarschriften heeft ingediend tegen de mededeling dat de beslistermijn wordt verlengd. Verweerder heeft eiser er in brieven op gewezen dat tegen een dergelijke mededeling geen bezwaar mogelijk was. Ook zijn de bezwaren van eiser in beslissingen op bezwaar keer op keer niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij is eiser gewezen op de vaste jurisprudentie waaruit blijkt dat het in stellen van een rechtsmiddel niet mogelijk is. Eiser heeft niet betwist dat hij ongeveer 500 maal een bezwaarschrift tegen de verlenging van de beslistermijn heeft ingediend. Eiser kon dan ook weten dat het instellen van beroep tegen de hier aan de orde zijnde bestreden besluiten kansloos was, nu hij in redelijkheid geen positief resultaat van het rechtsmiddel kon en mocht verwachten.
De uitspraak op rechtspraak.nl