Rb. Oost-Brabant 24 juli 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:4498
De zaak betreft een omgevingsvergunning voor een omvangrijke inrichting die zich onder meer bezig houdt met de op- en overslag van teerhoudend asfaltgranulaat (TAG). De inrichting ligt naast een recreatiepark. De rechtbank beschouwt de toestemming voor handelingen als bedoeld in artikel 75b, eerste lid, van de Ffw in de vorm van een verklaring van geen bedenkingen als een apart besluitonderdeel. De rechtbank is van oordeel dat de circulaire “energie in de milieuvergunning” en de toepasselijke BREF’s, voor zover deze betrekking hebben op energieverbruik, strekken in algemene zin tot verantwoord energieverbruik en het voorkomen van nadelige gevolgen door overmatig energieverbruik, maar niet tot bescherming van de directe omgeving of van een individueel persoon. De rechtbank ziet geen verwevenheid tussen de individuele belangen van eisers en het algemene belang dat de Wet Bibob beoogt te beschermen. De rechtbank zal deze beroepsgrond daarom buiten beschouwing laten omdat, gelet op artikel 8:69a van de Awb, deze beroepsgrond niet zal kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. In de uitspraak komen een aantal milieugevolgen aan de orde. De rechtbank is van oordeel dat de vergunning ten aanzien van de aspecten luchtkwaliteit, afval, bodem en (de noodzaak voor het opstellen van een) milieueffectrapport gebreken vertoont en vernietigt daarom de vergunning. Verweerder had beter motiveren waarom hij niet heeft verplicht tot overdekte opslag van het TAG. De vergunninghouder mag TAG slechts gedurende drie jaar opslaan, maar verweerder De rechtbank heeft niet de ogen kunnen sluiten voor de omstandigheid dat de berg TAG feitelijk al circa 7 jaar aanwezig is, zonder dat noemenswaardige hoeveelheden TAG zijn afgevoerd. Daardoor is feitelijk sprake van een stortplaats. Dit leidt tot een aantal complicaties. Ten eerste kan door de feitelijke aanwezigheid van de berg TAG de staat van de vloeistofdichte vloer niet worden gecontroleerd. Voorts stelt de rechtbank vast dat voorschrift 2.6.1 van het bestreden besluit in werking is getreden en dat ten tijde van de inwerkingtreding de derde-partij handelde in strijd met dit voorschrift. Bovendien zal, bij het ontbreken van een vergunning voor een thermische reinigingsinstallatie, de berg TAG geheel moeten worden afgevoerd met het oog op verwerking elders. Dit zal gepaard gaan met veel vervoersbewegingen, die (binnen het terrein van de inrichting) ook zullen leiden tot milieugevolgen waar verweerder niet kenbaar rekening mee heeft gehouden. Gesteld dat de inmiddels aangevraagde thermische reinigingsinstallatie zou worden vergund, hetgeen ten tijde van het bestreden besluit geenszins vast stond, zal de berg TAG bij volledige benutting van de innamecapaciteit en de verwerkingscapaciteit slechts zeer mondjesmaat kunnen afnemen. De vergunning is daarom verleend in strijd met artikel 2.14, eerste lid, onder a, sub 1 tot en met 3, van de Wabo De rechtbank is onder verwijzing naar het arrest van het HvJ van oordeel dat het begrip afvalverwijdering in de MER richtlijn autonoom en in ruime zin moet worden uitgelegd en dat ook de handelingen, die leiden tot de nuttige toepassing van afvalstoffen als afvalverwijdering in de zin van de MER richtlijn moeten worden beschouwd.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1505
- Rb. Oost-Brabant 11 februari 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:714
- Rb. Oost-Brabant 9 september 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:5424
- ABRvS 5 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:780
- Rb. Oost-Brabant 2 oktober 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:5445
- ABRvS 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7577
- ABRvS 9 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP7155