Rb. Oost-Brabant 9 september 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:5424

De zaak betreft een omgevingsvergunning voor het uitbreiden van een fabriek voor de productie van mestkorrels, verleend door GS van Noord-Brabant. Zowel het bedrijf als twee omwonenden hebben beroep ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat 1 omwonende niet merkbaar de milieugevolgen van de fabriek kan ondervinden en verklaart dit beroep niet ontvankelijk. De rechtbank houdt geen rekening met een in het verleden vernietigde vergunning op basis van de Afvalstoffenwet voor dezelfde locatie. De rechtbank is verder van oordeel dat de vergunning kan worden gebaseerd op het geurbeleid van de provincie Noord-Brabant voor industriële bedrijven. De rechtbank acht het uit oogpunt van rechtszekerheid echter niet juist dat in het bestreden besluit noch ter zitting eenduidig is aangegeven welke voorschriften gelden met betrekking tot de geurbelastende activiteiten van het bedrijf. Naar aanleiding van de klacht van het bedrijf oordeelt de rechtbank dat verweerder ten onrechte heeft verzuimd om na te gaan of aanleiding bestaat om af te wijken van de algemene eisen in de NeR en dat de strenge stofemissie-eis heeft opgelegd. In het verweerschrift hebben GS verzuimd om in overleg met eiseres na te gaan of een tweede nageschakelde techniek overeenkomt met het toepassen van de best beschikbare technieken. De rechtbank doet een tussenuitspraak en biedt GS de gelegenheid de gebreken in het besluit te herstellen door middel van een nieuw besluit.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken