Rb. Oost-Brabant 2 oktober 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:5445
Visuele hinder. Volksgezondheid. Omgevingsvergunning voor het veranderen van een inrichting. Samenvatting: Tussenuitspraak in een zaak waarbij een omgevingsvergunning is verleend voor het veranderen van een inrichting (een varkenshouderij). De vraag of zich visuele hinder voordoet, is beantwoord bij de vaststelling van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. De planologische besluitvorming staat hier niet ter discussie. Het beroep van eisers richt zich niet tegen de activiteit bouwen. De activiteit bouwen is bovendien niet in strijd met het onherroepelijke bestemmingsplan. Niet valt in te zien dat bij de verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en milieu, naast de planologische toets van de visuele hinder, nog beoordelingsruimte resteert voor verweerder bij de afweging ingevolge artikel 2.14 van de Wabo. In de door eisers aangehaalde rechtspraak van de ABRS ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel omdat deze niet ziet op een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en milieu maar op een milieuvergunning die is verleend onder de Wet milieubeheer (oud) waar de beslissing omtrent een eventueel noodzakelijke bouwvergunning op een ander moment werd genomen. Eisers vrezen voor hun gezondheid omdat zij op zeer korte afstand wonen van een intensieve veehouderij. Meer concreet vrezen zij voor de verspreiding van micro-organismen en endotoxinen bij de emissie van geur en (ultra)fijn stof. Verweerder veronderstelt in de omgevingsvergunning ten onrechte dat de volksgezondheid geen onderdeel uitmaakt van het wettelijk toetsingskader. Dit is namelijk wel degelijk het geval. Bij de beoordeling of desondanks de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen worden gelaten, stelt de rechtbank voorop dat voor diverse milieuonderdelen die van invloed kunnen zijn op de volksgezondheid wettelijke en beleidsmatige toetsingskaders zijn gevormd, veelal op basis van heersende wetenschappelijke inzichten. Het ligt op de weg van degene die zich op het bestaan van een risico voor de volksgezondheid beroept om, aan de hand van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten, aannemelijk te maken dat deze toetsingskaders niet toereikend zijn om onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid te voorkomen. Voor zover de vrees van eisers voor de volksgezondheid is gebaseerd op de gevolgen van de emissie van geur en stof, overweegt de rechtbank dat op beide gebieden sprake is van een wettelijk toetsingskader. Dit geldt eveneens voor de vrees van eisers voor de gevolgen van de verspreiding van endotoxinen die zich aan fijn stof zouden kunnen hechten. Weliswaar is er nog geen toetsingskader voor ultrafijn stof, in het advies van de Gezondheidsraad kan geen indicatie worden gelezen dat de emissie van ultrafijn stof een risico voor de volkgezondheid zou kunnen hebben. Ook wat betreft andere micro-organismen die zouden kunnen worden verspreid als gevolg van het houden van varkens, ziet de rechtbank in het advies van de Gezondheidsraad geen indicatie dat hieraan risico’s voor de volksgezondheid zijn verbonden. Omdat geen sprake is van een indicatie rust in dit geval geen nadere onderzoeksplicht op het bevoegd gezag, ook niet vanwege het voorzorgsbeginsel, om te onderzoeken of de mogelijke negatieve effecten op de volksgezondheid van een zodanige ernst kunnen zijn dat hierin aanleiding is gelegen om de vergunning te weigeren, of nadere voorschriften ter voorkoming van gezondheidsrisico’s aan de vergunning te verbinden. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten een akoestisch onderzoek te verlangen van aanvrager. De inrichting ligt op korte afstand van de woning van eisers, de representatieve bedrijfssituatie wijzigt en verweerder is bij het nemen van het besluit van een aantal onjuiste veronderstellingen uitgegaan. De rechtbank stelt verweerder in de gelegenheid dit gebrek te herstellen.
De uitspraak op rechtspraak.nl