Rb. Den Haag 12 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3843
Prejudiciële vraag over de plicht om een terugkeerbesluit op te leggen indien de verwijdering naar het land van bestemming moet worden uitgesteld vanwege het beginsel van non-refoulement. Eiser is als minderjarige Syriër naar Nederland gekomen en heeft subsidiaire bescherming gekregen. – Verweerder merkt eiser aan als gevaar voor de openbare orde omdat hij een ernstig misdrijf als bedoeld in artikel 17, eerste lid onder b, van de Kwalificatierichtlijn heeft gepleegd - Het bestreden besluit ziet op de intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus. Verweerder neemt een 3 EVRM-risico aan als eiser zou moeten terugkeren naar Syrië – Het Hof van Justitie heeft in het arrest Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl tegen A.A. van 6 juli 2023, artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn aldus uitgelegd dat er geen terugkeerbesluit mag worden opgelegd als de verwijdering naar het land van bestemming niet kan plaatsvinden vanwege het refoulementbeginsel. - Verweerder legt daarom geen Unierechtelijk terugkeerbesluit/inreisverbod op, maar draagt eiser wel op grond van de Vreemdelingenwet op om Nederland te verlaten. – De uitleg van het Hof heeft aanzienlijke gevolgen. Er ontstaat een intermediaire status, er ontstaat geen plicht om de Unie te verlaten waardoor het nuttig effect aan de uitsluitingsgronden in aanzienlijke mate komt te ontvallen – indien er geen terugkeerbesluit mag/moet worden genomen zijn de mogelijkheden om een registratie in het SIS te plaatsen zeer beperkt, terwijl het SIS ook beoogt om een hoog niveau van veiligheid te garanderen in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht in de Europese Unie. De rechtbank vraagt zich af of verweerder gelet op de systematiek van de Terugkeerrichtlijn, de ratio van de uitsluitingsgronden en de aanzienlijke gevolgen van de uitlegging van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn als zelfstandige regel, verweerder een terugkeerbesluit moet opleggen en verzoekt het Hof daarom om een nadere uitlegging van artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn, gelezen in samenhang met artikelen 3, 5, 8 en 9, eerste lid onder a, van de Terugkeerrichtlijn, en gelezen in samenhang met artikelen 17 en 19, tweede en derde lid onder a, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank verzoekt het Hof tevens om deze procedure te voegen met de procedure waarin de Afdeling op 18 december 2024 drie prejudiciële vragen aan het Hof heeft gesteld. De vragen van de Afdeling zien ook op een nadere uitlegging van artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn. De feiten die ten grondslag liggen aan de beide verwijzingen verschillen. De gestelde prejudiciële vragen zijn echter nauw verweven en betreffen andere aspecten van de plicht om een terugkeerbesluit uit te vaardigen en de omstandigheden die rechtvaardigen dat van deze plicht kan en moet worden afgeweken. De behandeling van het beroep wordt geschorst totdat het Hof de prejudiciële vraag heeft beantwoord.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5258
- Rb. Den Haag 4 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10280
- ABRvS 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1025
- Rb. Den Haag 13 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17271
- ABRvS 21 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2709
- Rb. Limburg 1 februari 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:733
- ABRvS 10 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2466
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2020:367
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:127
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:432
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:9
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2022:913
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2023:540
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2024:626
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2024:748
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2024:892