Rb. Den Haag 6 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10757
Einduitspraak na arrest Tadmur over terugkeerbesluit en beginsel van non-refoulement / asiel / intrekking subsidiairebeschermingsstatus. Eiser is afkomstig uit Syrië en aan hem is, toen hij minderjarig was, een subsidiaire beschermingsstatus verleend. Nadat de op grond van deze status verleende vergunning aanvankelijk is verlengd, is vanwege een strafrechtelijke veroordeling de subsidiaire beschermingsstatus ingetrokken. In het intrekkingsbesluit is vermeld dat er geen terugkeerbesluit kan worden vastgesteld op grond van richtlijn 2008/115 vanwege het refoulementrisico. Wel is aan eiser een vertrekplicht opgelegd op grond van de vreemdelingenwet en is eiser gesignaleerd op grond van Verordening 2018/1861. De rechtbank heeft het Hof verzocht om uit te leggen waarom -kort gezegd- niet kan worden volstaan met uitsluitend het uitstellen van de verwijdering door verweerder en dus het handhaven van de terugkeerverplichting voor eiser. Eiser kan namelijk aan zijn terugkeerverplichting voldoen door naar elk land buiten de Unie te gaan en hoeft niet terug naar Syrië. De rechtbank heeft ook gevraagd of indien het Unierecht zo moet worden uitgelegd dat indien er geen terugkeerbesluit kan worden vastgesteld, op grond van nationaal recht dan wel een verplichting kan worden opgelegd om uit Nederland te vertrekken. Uit het arrest Tadmur van 26 maart 2026 volgt dat het terugkeerbesluit niet bestaat uit een zelfstandige terugkeerverplichting voor de derdelander en een zelfstandige terugkeerverplichting voor verweerder. Indien de derdelander niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst vanwege het beginsel van non-refoulement en er geen ander derdeland is dat als land van terugkeer kan worden aangemerkt, kan er dus geen terugkeerbesluit worden vastgesteld. Dit staat ook in de weg aan het opleggen van een vertrekplicht op grond van nationale wet- en regelgeving. De rechtbank komt in de einduitspraak tot de conclusie dat de intrekking rechtmatig is. Verweerder zal wel opnieuw moeten beoordelen of hij ambtshalve een reguliere vergunning zal verlenen gelet op de omstandigheid dat aan eiser geen vertrekplicht kan worden opgelegd en hij op dit moment ook niet in staat is om (rechtmatig) Nederland te verlaten. In het besluit is namelijk er van uit gegaan dat eiser kan worden verplicht om Nederland te verlaten. De rechtbank heeft tot slot uitgelegd waarom de gronden tegen het besluit tot signalering niet slagen. Beroep deels gegrond, deels ongegrond, PKV waarbij de rechtbank aan elk punt een wegingsfactor van 1,5 toekent omdat de rechtbank een prejudiciële procedure aanmerkt als “zwaar”.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4046
- Rb. Den Haag 12 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3843
- ABRvS 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1025
- Rb. Den Haag 8 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:13621
- ABRvS 21 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2709
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2014:2453
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2015:377
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2019:218
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2020:579
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2023:540
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2024:748
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2024:78
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2024:892
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2026:257