Art. 11, Inreisverbod
1. Het terugkeerbesluit gaat gepaard met inreisverbod:
a) indien er geen termijn voor vrijwillig vertrek is toegekend, of
b) indien niet aan de terugkeerverplichting is voldaan.
In de overige gevallen kan het terugkeerbesluit een inreisverbod omvatten.
2. De duur van het inreisverbod wordt volgens alle relevante omstandigheden van het individuele geval bepaald, en bedraagt in principe niet meer dan vijf jaar. De duur kan meer dan vijf jaar bedragen indien de onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.
3. De lidstaten overwegen de intrekking of schorsing van het inreisverbod dat overeenkomstig lid 1, tweede alinea, is uitgevaardigd tegen een onderdaan van een derde land, mits deze kan aantonen het grondgebied van een lidstaat geheel in overeenstemming met het terugkeerbesluit te hebben verlaten.
Tegen slachtoffers van mensenhandel aan wie een verblijfstitel is verstrekt overeenkomstig Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie (11), en die met de bevoegde autoriteiten samenwerken wordt, onverminderd het bepaalde in lid 1, eerste alinea, onder b), en op voorwaarde dat zij geen bedreiging vormen voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid, geen inreisverbod uitgevaardigd.
In individuele gevallen kunnen de lidstaten om humanitaire of andere redenen afzien van een inreisverbod, dan wel het verbod intrekken of schorsen.
In individuele gevallen of voor bepaalde categorieën gevallen kunnen de lidstaten om andere redenen een inreisverbod intrekken of schorsen.
4. De lidstaat die overweegt een verblijfstitel of een andere vorm van toestemming tot verblijf af te geven aan de onderdaan van een derde land jegens wie een door een andere lidstaat uitgevaardigd inreisverbod geldt, pleegt vooraf overleg met de lidstaat die het inreisverbod heeft uitgevaardigd en houdt rekening met diens belangen, overeenkomstig artikel 25 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst (12).
5. De leden 1 tot en met 4 laten in de lidstaten onverlet het recht op internationale bescherming in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft en de inhoud van de verleende bescherming (13).
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 4 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1725
- HR 14 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2862
- HR 27 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2192
- ABRvS 18 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:638
- HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:616
- ABRvS 8 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3012
- Rb. Den Haag 13 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:3154
- ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:622
- ABRvS 15 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9112
- ABRvS 17 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1780
- ABRvS 20 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2558
- Rb. Den Haag 12 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3843
- HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1893
- ABRvS 22 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2378
- Hof Den Haag 4 juli 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1882
- ABRvS 23 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2386
- ABRvS 23 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA1299
- ABRvS 22 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:547
- ABRvS 2 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:224
- ABRvS 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2063