Rb. Den Haag 11 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12328
Aanvullende prejudiciële vraag over de verplichting om een terugkeerbesluit op te leggen als een derdelander is uitgesloten van internationale bescherming, terwijl de verwijdering naar het land van bestemming moet worden uitgesteld vanwege het beginsel van non-refoulement. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn verzoek om internationale bescherming onder meer verklaard dat hij gedurende ruim 30 jaar werkzaam is geweest binnen het veiligheidsapparaat van Jemen en hoge posities heeft bekleed. Verweerder werpt eiser artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag /artikel 12, tweede lid onder b, van de Terugkeerrichtlijn tegen en wijst de asielaanvraag af als kennelijk ongegrond, maar neemt een 3 EVRM-risico aan als eiser zou moeten terugkeren naar Jemen. In het besluit is vermeld dat “Het Hof van Justitie op 6 juli 2023 een uitspraak (C-663/21) heeft gedaan, waardoor het vooralsnog niet langer mogelijk is om een terugkeerbesluit op te leggen, en dus ook geen inreisverbod, als sprake is van een terugkeerbeletsel (3 EVRM)”. Verweerder heeft eiser wel gesignaleerd in het E&S en het SIS. Het Hof van Justitie heeft in het arrest Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl tegen A.A. van 6 juli 2023, artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn aldus uitgelegd dat er geen terugkeerbesluit mag worden opgelegd als de verwijdering naar het land van bestemming niet kan plaatsvinden vanwege het refoulementbeginsel. Verweerder legt daarom geen terugkeerbesluit/inreisverbod op, maar bepaalt wel dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft en signaleert eiser. De rechtbank vraagt zich af of verweerder, gelet op de systematiek van de Terugkeerrichtlijn, de ratio van de uitsluitingsgronden van de Kwalificatierichtlijn en de aanzienlijke gevolgen van de uitlegging van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn als zelfstandige regel, toch een terugkeerbesluit moet opleggen en verzoekt het Hof daarom om een nadere uitlegging van artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn, gelezen in samenhang met artikelen 3, 5, 8 en 9, eerste lid onder a, van de Terugkeerrichtlijn, en gelezen in samenhang met artikelen 12, tweede en derde lid en 17 van de Kwalificatierichtlijn. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 12 maart 2025 een vergelijkbare vraag gesteld in een procedure waarin de subsidiaire beschermingsstatus is ingetrokken en verweerder een 3 EVRM-risico aanneemt als die vreemdeling moet terugkeren naar Syrië. De rechtbank verzoekt het Hof om de onderhavige verwijzing te voegen met de verwijzing van 12 maart 2025 en met de procedure waarin de Afdeling op 18 december 2024 drie prejudiciële vragen aan het Hof heeft gesteld die ook zien ook op een nadere uitlegging van artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn. De behandeling van het beroep wordt geschorst totdat het Hof de prejudiciële vraag heeft beantwoord.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Den Haag 12 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3843
- ABRvS 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5258
- Rb. Den Haag 4 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10280
- Rb. Den Haag 13 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17271
- Rb. Den Haag 13 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:3154
- ABRvS 10 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2466
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2020:367
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:127
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:432
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:9
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2022:913
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2023:540
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2024:626
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2024:748
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2024:892