Rb. Den Haag 11 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3726

Asielzoeker uit Pakistan. Minister heeft asielrelaas grotendeels geloofwaardig geacht, maar meent dat geen sprake is van toegedichte afvalligheid en is bovendien van mening dat, ondanks ernstige schade in het verleden, er redenen zijn om aan te nemen dat eiser bij terugkeer niet heeft te vrezen voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarbij heeft de minister de verklaringen van eiser over diens uitreis uit Pakistan en zijn vlucht in essentie niet geloofwaardig geacht. De rechtbank acht de motivering van de minister niet afdoende en meent dat de verklaringen van eiser geloofwaardig zijn en dat daaruit de noodzaak tot het verlenen van internationale bescherming blijkt. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt evenwel dat de rechtbank een dergelijk inhoudelijk oordeel over het asielrelaas en de zwaarwegendheid ervan niet zou mogen geven. De rechtbank meent echter dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie voortvloeit dat de rechtbank die bevoegdheid wel degelijk heeft. De rechtbank gaat over tot het stellen van prejudiciële vragen: 1) Kan de rechtbank aan artikel 46, derde lid, van richtlijn 2013/32/EU, al dan niet in samenhang bezien met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU, dan wel aan enige andere bepaling of beginsel van EU-recht, de bevoegdheid ontlenen om een eigen oordeel over de geloofwaardigheid van een asielrelaas te geven, die in de plaats treedt van het oordeel dat de minister heeft gegeven? 2) Kan de rechtbank aan een van voornoemde bepalingen de bevoegdheid ontlenen om aan de hand van de door de minister geloofwaardig geachte onderdelen van het asielrelaas en, zo het antwoord op vraag 1 bevestigend is, de onderdelen van het asielrelaas die de rechtbank daarenboven geloofwaardig acht, een inhoudelijk en definitief oordeel te geven over het verzoek om internationale bescherming? Mag de rechtbank daarbij haar eigen oordeel over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade in de plaats stellen van dat van de minister, met name als de rechtbank zich tegen de achtergrond van beschikbare voor het publiek toegankelijke landeninformatie voldoende geïnformeerd acht om een dergelijk oordeel te geven? 3) Kan de nationale rechtspraak, bijvoorbeeld op grond van de procedurele autonomie, de bevoegdheden als bedoeld onder vragen 1 en 2 inperken, in die zin dat die bevoegdheden alsnog exclusief aan de minister worden toebedeeld? 4) Mag de rechtbank informatie die in beroep naar voren is gebracht, maar in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar was, betrekken bij het oordeel over de vraag of hij over genoeg informatie beschikt om een inhoudelijk oordeel te geven? Is daarbij relevant of partijen schriftelijk, dan wel ter zitting zich volledig over de feiten hebben kunnen uitlaten?

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken