Conclusie A-G Ettema 29 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:853

Douanerechten; art. 78 CDW; bestaat de mogelijkheid om op verzoek van de aangever de douaneaangiften te herzien teneinde de douaneregeling te wijzigen? Deze zaak gaat over vrachtwagens uit Israël die in het vrije verkeer van de Unie zijn gebracht. Bij de aangiften zijn telkens door de Israëlische autoriteiten gewaarmerkte EUR.1-certificaten overgelegd. Hierop is als land van oorsprong ‘EEC’ of een lidstaat van de Europese Unie vermeld. Van belanghebbende zijn douanerechten nagevorderd op de grond dat de goederen niet de oorsprong Israël hebben en dus geen aanspraak kan worden gemaakt op een preferentieel tarief. Belanghebbende is drie procedures gestart met betrekking tot de uitnodigingen tot betaling die aan haar zijn uitgereikt. In deze procedure is aan de orde of art. 78(3) CDW voorziet in de mogelijkheid om door middel van herziening de douaneregeling te wijzigen. Het Hof oordeelt, in navolging van de Rechtbank, dat een aangifte enkel kan worden herzien als het gaat om het wijzigen van gegevens binnen de betrokken douaneregeling. Het wijzigen van de betrokken douaneregeling zelf is niet mogelijk. Ook is een wijziging met het oog op de vrijstelling voor terugkerende goederen niet mogelijk, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de invoer van de vrachtwagens plaatsvindt binnen drie jaar na de uitvoer. Belanghebbende heeft niet voldaan aan haar stelplicht dat bijzondere omstandigheden zich te dezen voordoen die de overschrijding van die termijn rechtvaardigen. In cassatie stelt belanghebbende twee middelen voor. Het eerste middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat wijziging van de douaneregeling niet mogelijk is. Het middel wijst op diverse arresten van het Hof van Justitie. Het tweede middel komt op tegen het oordeel over de vrijstelling voor terugkerende goederen en betoogt dat het Hof ten onrechte niet heeft onderzocht of sprake is van bijzondere omstandigheden die een overschrijding van de termijn van drie jaar rechtvaardigen. A-G Ettema onderzoekt in deze conclusie of art. 78(3) CDW voorziet in de mogelijkheid om middels herziening de douaneregeling te wijzigen, en zo ja, of het verzoek tot herziening van belanghebbende had moeten worden toegewezen. Zij bespreekt eerst de reikwijdte van deze bepaling in het algemeen. Daarna onderzoekt zij of uit jurisprudentie van het Hof van Justitie kan worden opgemaakt dat art. 78(3) CDW de mogelijkheid biedt de douaneregeling te wijzigen. Ook de bepaling in het DWU, waarin thans de wijziging van de douaneaangifte wordt geregeld, wordt besproken. Uit de bewoordingen van art. 78(3) CDW leidt de A-G af dat deze bepaling de mogelijkheid tot wijziging van de douaneregeling niet biedt. De jurisprudentie van het Hof van Justitie geeft echter aanleiding voor twijfel. A-G Ettema ziet in deze zaak geen aanleiding de Hoge Raad in overweging te geven prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Belanghebbende heeft namelijk hoe dan ook niet voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de douaneregelingen die zij door herziening wil toepassen. Middel I faalt. A-G Ettema komt tot de slotsom dat ook middel II faalt. Anders dan het middel betoogt, heeft belanghebbende de gelegenheid gehad bijzondere omstandigheden aan te voeren die rechtvaardigen dat de termijn die geldt voor de vrijstelling voor terugkerende goederen is overschreden. Het oordeel van het Hof is dan ook geen verrassingsbeslissing. A-G Ettema geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken