Conclusie A-G Ettema 8 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:786

Douanerecht; art. 239 CDW; verzoek om terugbetaling; bijzondere omstandigheden. Duiden de REM-beschikkingen van de Commissie op een ruimer toepassingsbereik of ‘ratio’ van art. 239 CDW? Deze zaak gaat over vrachtwagens uit Israël die in het vrije verkeer van de Unie zijn gebracht. Bij de aangifte zijn telkens door de Israëlische autoriteiten gewaarmerkte EUR.1-certificaten overgelegd. Hierop staat als land van oorsprong ‘EEC’ of een lidstaat van de Europese Unie ingevuld. Van belanghebbende zijn douanerechten nagevorderd, omdat de goederen niet de oorsprong Israël hebben en dus geen aanspraak kan worden gemaakt op een preferentieel tarief. Belanghebbende heeft drie procedures opgestart met betrekking tot de uitnodigingen tot betaling die aan haar zijn uitgereikt. In deze procedure gaat het erom of belanghebbende op grond van art. 239 CDW recht op terugbetaling van de nagevorderde douanerechten heeft. Het Hof oordeelt dat niet aan de voorwaarden voor toepassing van art. 239 CDW is voldaan. In de eerste plaats doet zich geen bijzondere situatie voor. De zogenoemde REM-beschikkingen van de Commissie waarop belanghebbende zich in dit verband heeft beroepen, betreffen gevallen die naar het oordeel van het Hof niet vergelijkbaar zijn met dat van belanghebbende. Indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat wel sprake is van een bijzondere situatie, heeft belanghebbende niet voldaan aan de voorwaarde dat geen sprake mag zijn van klaarblijkelijke nalatigheid. In cassatie stelt belanghebbende twee middelen voor. Het eerste middel betoogt dat het Hof ten onrechte toetst of de situatie van belanghebbende voldoende hetzelfde is als de situatie zoals van toepassing bij de REM-beschikkingen. Uit deze beschikkingen blijkt de ratio van art. 239 CDW, aldus het middel. In dit verband doet het middel ook een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Het tweede middel is gericht tegen het oordeel dat na raadpleging van de relevante wetgeving duidelijk zou zijn geweest dat enkel goederen van Israëlische oorsprong in aanmerking komen voor het preferentiële tarief. A-G Ettema onderzoekt in deze conclusie of uit de door belanghebbende aangehaalde REM-beschikkingen algemene uitgangspunten zijn af te leiden die meebrengen dat zich in het geval van belanghebbende bijzondere omstandigheden voordoen. De A-G gaat eerst in op de procedure die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2015. Vervolgens bespreekt zij de REM-beschikkingen waarop belanghebbende een beroep heeft gedaan. A-G Ettema komt tot de conclusie dat die REM-beschikkingen geen andere of ruimere ‘ratio’ van art. 239 CDW laten zien. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel strandt in dit verband. Middel I faalt. Voor het geval de Hoge Raad van oordeel is dat zich in het geval van belanghebbende wel een bijzondere omstandigheid voordoet, gaat de A-G na of sprake is van klaarblijkelijke nalatigheid aan de zijde van belanghebbende (middel II). Zij komt tot de slotsom dat daarvan sprake. Uit een arrest van de Hoge Raad van 8 augustus 2008 volgt dat (1) als douaneautoriteiten van een derde land EUR.1-certificaten uitgeven met een ander land van oorsprong dan het eigen land, de vergissing van die autoriteiten zonder meer kenbaar is en redelijkerwijze is te ontdekken, en (2) dat hieraan niet kan afdoen (a) de eventuele ingewikkeldheid van de preferentiële regeling en (b) de uitgifte van de certificaten gedurende een aantal maanden. Hoewel dit oordeel is gegeven in een procedure over art. 220(2)b CDW, heeft hetzelfde te gelden voor de beoordeling in het kader van art. 239 CDW. Aangezien de Israëlische douaneautoriteiten EUR.1-certificaten hebben uitgegeven met een ander land van oorsprong dan Israël, is deze vergissing zonder meer kenbaar en redelijkerwijze te ontdekken. De ingewikkeldheid van de regeling maakt dit niet anders. Middel II faalt ook. A-G Ettema geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken