Conclusie A-G Ettema 29 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:828
Douanerechten worden in beginsel vastgesteld aan de hand van de heffingsgrondslagen die gelden ten tijde van het in het vrije verkeer brengen van goederen. In artikel 121, lid 1, van het CDW is een uitzondering opgenomen voor goederen die bij binnenkomst in de Unie onder de douaneregeling actieve verdeling zijn geplaatst, maar later alsnog in het vrije verkeer worden gebracht. Die bepaling regelt dat het bedrag van de douaneschuld dan wordt vastgesteld aan de hand van de heffingsgrondslagen geldend voor de (invoer)goederen op het tijdstip waarop de aangifte tot plaatsing van deze goederen onder de regeling actieve verdeling is aanvaard. In de onderhavige zaak staat de vraag centraal of artikel 121, lid 1, van het CDW meebrengt dat bij het bepalen van de douaneschuld een inmiddels geschorst preferentiëel tarief van toepassing is. De direct vertegenwoordiger van belanghebbende heeft in 2012 en 2013 acht aangiften gedaan voor de douaneregeling actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem. In die jaren gold voor de door belanghebbende binnengebrachte goederen (hydrolisanten van proteïnen) een preferentieel tarief. In 2014 heeft de vertegenwoordiger voor die goederen acht aangiften voor de douaneregeling in het vrije verkeer brengen gedaan. Daarbij is, onder verwijzing naar artikel 121, lid 1, van het CDW, verzocht om toepassing van een preferentieel tarief. Dat preferentiële tarief was na 1 januari 2014 echter geschorst. De Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat het preferentiële tarief van toepassing is. Zij overweegt dat, aangezien voor de vaststelling van de heffingsgrondslagen moet worden aangesloten bij het tijdstip waarop de aangiften tot plaatsing van deze goederen onder de douaneregeling actieve veredeling zijn aanvaard, op dat moment moet worden beoordeeld of belanghebbende aan de vormvereisten voor toepassing van het preferentiële tarief voldoet. Nu belanghebbende op dat moment beschikte over de formulieren A en voorts noch is gesteld noch gebleken dat de goederen niet aan de andere voorwaarden voldeden, voldoet belanghebbende daaraan. Gerechtshof Amsterdam komt eveneens tot het oordeel dat de Inspecteur ingevolge artikel 121, lid 1, van het CDW gehouden is het preferentiële tarief toe te passen bij de berekening van de douaneschulden van belanghebbende, echter op andere gronden. Hij overweegt namelijk dat voor toepassing van het preferentiële tarief op de voet van artikel 121, lid 1, van het CDW enkel van belang is of belanghebbende op het moment van plaatsing van de goederen onder de regeling actieve veredeling voor toepassing van het preferentiële tarief in aanmerking had kunnen komen, indien zij de goederen op dat moment voor het vrije verkeer zou hebben aangegeven en om preferentie zou hebben verzocht. Dat belanghebbende op het moment van plaatsing van de goederen onder de regeling actieve veredeling voldeed aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor het preferentiële tarief, is tussen partijen niet in geschil. De staatssecretaris van Financiën komt met één cassatiemiddel op tegen dit oordeel van het Hof. Uit de letterlijke bewoordingen en de context van artikel 121, lid 1, van het CDW, alsmede uit het systeem van de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt, volgt naar mening van de A-G buiten redelijke twijfel dat een preferentieel tarief dat gold ten tijde van de aanvaarding van de aangifte voor de douaneregeling actieve veredeling, maar op het moment dat de douaneschuld ontstaat geschorst is, van toepassing is indien daartoe een verzoek wordt ingediend en ten tijde van het verzoek aan de voorwaarden voor de toepassing van dat verzoek wordt voldaan. Vaststaat dat belanghebbende bij de aangifte voor de douaneregeling brengen in het vrije verkeer een verzoek om toepassing van het preferentiële tarief heeft ingediend. Uit de stukken van het geding volgt dat op dat moment aan alle voorwaarden voor toepassing van het preferentiële tarief is voldaan. Dit brengt volgens de A-G mee dat de Inspecteur gehouden was in het onderhavige geval het preferentiële tarief toe te passen. De A-G sluit zich dus aan bij de door de Rechtbank gebezigde gronden. Het cassatieberoep van de staatssecretaris van Financiën is in haar visie ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl