Conclusie A-G Ettema 29 december 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1244
Alternatief bewijs beëindiging douanevervoer; DWU van toepassing? Belanghebbende heeft op 3 december 2015 twee keer aangifte gedaan voor de regeling extern communautair douanevervoer. Omdat de aangiften niet zijn afgemeld in het New Computerised Transit System (NCTS) nadat de vervoerstermijn is verstreken, heeft de Inspecteur een nasporingsonderzoek opgestart bij het kantoor van bestemming. Dit onderzoek heeft geen informatie opgeleverd over de regelmatige beëindiging van het vervoer. Belanghebbende heeft bij verschillende gelegenheden aan de Inspecteur documenten verstrekt om de regelmatige beëindiging van het vervoer aan te tonen. Aangezien de Inspecteur van mening was dat de overgelegde documenten onvoldoende zijn om de regeling douanevervoer als beëindigd te beschouwen, heeft hij uitnodigingen tot betaling van douanerechten en omzetbelasting aan belanghebbende uitgereikt. Het Hof heeft vooropgesteld dat aangezien vaststaat dat het douanevervoer niet op regelmatige wijze is beëindigd, de regeling douanevervoer slechts nog als beëindigd kan worden beschouwd als een bewijsstuk wordt overgelegd dat voldoet aan de in artikel 366, lid 2 en/of lid 3, Uitvoeringsverordening communautair douanewetboek (de UCDW) gestelde voorwaarden. Naar ’s Hofs oordeel heeft belanghebbende geen bewijstukken overgelegd die voldoen aan de voorwaarden van deze bepaling. De stelling van belanghebbende dat de douaneschulden zijn tenietgegaan op grond van het bepaalde in artikel 124, lid 1, aanhef en onder k), Douanewetboek van de Unie (het DWU), heeft het Hof verworpen. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en twee middelen voorgesteld. Middel I betoogt dat onbegrijpelijk is ’s Hofs oordeel dat de door belanghebbende overgelegde bewijsmiddelen niet voldoen aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 366 UCDW. Het middel verdedigt in wezen dat een afdruk van een douaneaangifte, die is geprint vanuit een elektronisch aangiftesysteem, als origineel douanedocument moet worden aangemerkt. Middel II richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de douaneschulden niet zijn tenietgegaan op grond van artikel 124, lid 1, aanhef en onder k), DWU. Dit oordeel is volgens het middel niet langer houdbaar gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof van Justitie) Jumbocarry Trading. A-G Ettema is van mening dat het in artikel 366 UCDW steeds gaat om fysieke documenten die als bewijs overgelegd kunnen worden. Een afdruk uit een geautomatiseerd systeem kan niet als een origineel douanedocument worden aangemerkt. Een afdruk moet gelijkgesteld worden aan een kopie of fotokopie als bedoeld in artikel 366, lid 3, UCDW. Volgens laatstgenoemde bepaling moet een kopie of fotokopie worden gewaarmerkt. Dit geldt dan ook voor een afdruk van een invoeraangifte. Voor zover het middel van een andere opvatting uitgaat, faalt het. Middel II faalt volgens de A-G ook, omdat de situatie van belanghebbende verschilt van de situatie van Jumbocarry Trading. Artikel 124, lid 1, aanhef en onder k), DWU kan naar haar mening geen toepassing vinden op de onderwerpelijke douaneschuld, aangezien de rechtspositie van belanghebbende met betrekking tot de douaneschuld voor 1 mei 2016 definitief is verworven.
De uitspraak op rechtspraak.nl