Conclusie A-G Ettema 8 augustus 2019, ECLI:NL:PHR:2019:804
Belanghebbende fabriceert toner cartridges. Daarnaast verricht zij activiteiten zoals het aanpassen en assembleren van kantoormachines voor diverse afzetmarkten en beheert zij een distributiecentrum waar producten worden opgeslagen ten behoeve van de handelsactiviteiten van het concern op het westelijk halfrond. De goederen die belanghebbende fabriceert of assembleert komen van buiten het douanegebied van de Unie. Deze worden na opslag, fabricage of assemblage in het vrije verkeer gebracht dan wel weer uitgevoerd. In verband met dit laatste beschikt belanghebbende over een vergunning actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem. Op 22 september 2005 is een dergelijke vergunning aan belanghebbende afgegeven voor de periode 18 juni 2004 tot 18 juni 2007. In de vergunning wordt voor de GN-code, de omschrijving, de hoeveelheid en de waarde van de goederen die onder de douaneregeling mogen worden geplaatst verwezen naar bijlage 1 bij de vergunning. Bijlage 1 betreft een lijst waarin omschrijvingen van de goederen, (interne) artikelcodes en GN-codes zijn opgenomen. Belanghebbende heeft deze lijst opgesteld en bij de aanvraag voor de vergunning gevoegd. Na afloop van de geldigheid van een vergunning is steeds op verzoek van belanghebbende een nieuwe vergunning verstrekt. Tussentijds heeft belanghebbende drie keer verzocht een eerder verleende vergunning te wijzigen. Eén daarvan betreft de vergunning die is afgegeven voor de periode 18 juni 2010 tot 18 juni 2013. Op verzoek heeft de Inspecteur op 15 juli 2011 een gewijzigde vergunning afgegeven. De vergunning vermeldt als ingangsdatum “18 juni 2010 (Versie 15 juli 2011)”. Bij de gewijzigde vergunning zijn nieuwe bijlagen gevoegd. Daarin zijn niet langer de achtcijferige GN-codes van de goederen vermeld, maar de viercijferige codes van de post van het GS (ofwel: de eerste vier cijfers van de GN-code). De Inspecteur heeft bij belanghebbende een onderzoek ingesteld met als doel vast te stellen of de goederen die zij vanuit het douane-entrepot onder de regeling actieve veredeling heeft geplaatst in de periode 1 januari 2009 tot en met 14 juli 2014 daartoe zijn vergund. De resultaten van dit onderzoek hebben geleid tot het uitreiken van uitnodigingen tot betaling (utb’s) van douanerechten. In de bezwaarfase heeft de Inspecteur de utb’s verminderd. Voor het Hof is in geschil of een douaneschuld is ontstaan omdat goederen die onder de regeling actieve verdeling zijn geplaatst niet onder de aan belanghebbende verleende vergunningen vallen. Het Hof heeft verworpen de stelling van belanghebbende dat de Inspecteur met het enkel aannemelijk maken dat andere GN-codes en artikelcodes zijn gebruikt niet heeft aangetoond dat andere goederen onder de regeling zijn gebracht dan waarvoor de vergunning gold. Naar het oordeel van het Hof dienen de invoergoederen te worden geïdentificeerd aan de hand van de GN-code. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat belanghebbende invoergoederen onder de regeling mag plaatsen indien deze kunnen worden ingedeeld onder één van de achtcijferige GN-codes die zijn genoemd in de vergunningen, omdat zij een vergunning heeft aangevraagd en verkregen op achtcijferniveau. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de afgifte van een gewijzigde vergunning met hetzelfde vergunningnummer en dezelfde ingangs- en vervaldatum, onder toevoeging van een versiedatum, in redelijkheid niet anders kan worden begrepen dan dat de lopende vergunning met ingang van die versiedatum is gewijzigd. Met betrekking tot belanghebbendes beroep op artikel 220(2)b CDW heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur niet gehouden was van navordering af te zien. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij drie middelen voorgesteld. Middel 1 richt zich tegen het oordeel van het Hof dat bij gebruikmaking van de regeling actieve veredeling vooraf duidelijk moet zijn welke invoergoederen onder deze regeling mogen worden geplaatst en dat deze invoergoederen dienen te worden geïdentificeerd aan de hand van de goederencode. Subsidiair betoogt het middel dat voldoende is dat de goederencode op viercijferniveau overeenstemt met die van vergunning. Middel 2 bestrijdt het oordeel van het Hof dat de afgifte van een gewijzigde vergunning met hetzelfde vergunningnummer en dezelfde ingangs- en vervaldatum, onder toevoeging van een versiedatum in redelijkheid niet anders kan worden begrepen dan dat de lopende vergunning met ingang van die versiedatum is gewijzigd. Middel 3 betoogt in de eerste plaats dat het niet voldoen van de verschuldigde rechten het gevolg is geweest van vergissingen van de douaneautoriteiten. Het middel bestrijdt daarnaast het oordeel dat belanghebbende de vergissing redelijkerwijs had kunnen ontdekken. A-G Ettema gaat in onderdeel 2 van de conclusie aan de hand van de wettelijke bepalingen na welke voorwaarden en/of verplichtingen gelden voor het plaatsen van goederen onder de douaneregeling actieve veredeling. Naar haar mening ontstaat op grond van artikel 204(1)b CDW een douaneschuld indien goederen onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst terwijl die goederen niet zijn vermeld in de vergunning. Indien een vergunning is aangevraagd en verkregen waarin de goederen worden aangeduid met de achtcijferige GN-code, dient de identificatie van de goederen plaats te vinden aan de hand van die achtcijferige code. ’s Hofs oordeel dat bij het plaatsen van de goederen onder de regeling een douaneschuld is ontstaan getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Middel 1 faalt daarom. Onderdeel 3 van de conclusie besteedt aandacht aan de vraag wanneer een wijziging van een vergunning terugwerkende kracht heeft. De regels die gelden voor het afgeven van een vergunning met terugwerkende kracht kunnen op overeenkomstige wijze worden toegepast op wijzigingen van een vergunning. Het Hof heeft kunnen oordelen dat de wijziging van de vergunning in werking is getreden op de dag van afgifte van die wijziging. Middel 2 faalt om die reden. In onderdeel 4 beoordeelt de A-G of de Inspecteur van navordering heeft moeten afzien. Het Hof heeft ten onrechte niet beoordeeld of het bij een vergelijking van de aanvullende aangiften en de vergunningen voor de Inspecteur direct duidelijk zou zijn dat voor de aangegeven goederen geen vergunning is verleend. Middel 3 is terecht voorgesteld voor zover het ’s Hofs oordeel bestrijdt dat de Inspecteur geen vergissing heeft gemaakt. Tot cassatie leidt dit echter niet omdat belanghebbende de vergissing redelijkerwijs heeft kunnen ontdekken. Aangezien alle middelen falen, geeft de A-G de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie ongegrond te verklaren.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde uitspraken
- HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:631
- Hof Amsterdam 21 augustus 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3011
- Rb. Noord-Holland 28 juli 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:6275
- HR 20 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3283
- HR 19 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1931
- Conclusie A-G VAN HILTEN 19 november 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM1931
- HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7964
- HR 12 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BH6375
- Conclusie A-G VAN HILTEN 12 maart 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BH6375
- Conclusie A-G de Wit 17 februari 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AP2046
- Conclusie A-G De Wit 8 april 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AQ7207
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1993:134
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2001:114
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2007:612
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2009:349
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2011:224
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2012:559
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2017:220