Conclusie A-G Ettema 26 juli 2024, ECLI:NL:PHR:2024:793

Bijlage: ECLI:NL:PHR:2024:919 Douanerecht; plantaardige oliën; bijzondere bestemming; art. 293 UCDW; bijlage 67 UCDW; overschrijdingen hoeveelheid vergunning; art. 212 bis CDW; art. 86(6) DWU; vertrouwensbeginsel; art. 220(2)b DWU; rente op achterstallen; 114 DWU; wijziging van de aangifte; art. 173(3) DWU. Belanghebbende heeft goederen met een gunstige tariefbehandeling in het vrije verkeer gebracht onder de regeling bijzondere bestemming. Zij beschikte hiervoor over de vereiste vergunning, waarin per goederensoort een hoeveelheid wordt vermeld. Tijdens een controle is gebleken dat belanghebbende gedurende enkele jaren voor een grotere hoeveelheid goederen onder de regeling bijzondere bestemming heeft geplaatst dan vermeld in de vergunning. In de gemeenschappelijke bijlage bij deze conclusie behandelt A-G Ettema de vraag of de overschrijding van de hoeveelheid die is vermeld in de vergunning bijzondere bestemming, leidt tot het ontstaan van een douaneschuld. De A-G komt tot de slotsom dat uit het voorgeschreven vergunningmodel in bijlage 67 UCDW volgt dat de hoeveelheid een verplicht te vermelden gegeven is in de vergunning bijzondere bestemming. Een strikte taalkundige uitleg van deze vergunning brengt mee dat de vergunning ook daadwerkelijk is beperkt tot deze hoeveelheid. Voor zover een vergunninghouder de hoeveelheid overschrijdt, beschikt hij niet over de vereiste vergunning en ontstaat een douaneschuld op de voet van art. 204 CDW dan wel 79 DWU. Het bepaalde in art. 293(3) UCDW doet hieraan niet af volgens de A-G, nu de opsomming van de gegevensvereisten in deze bepaling niet limitatief is. De A-G concludeert voorts dat het ontbreken van de vereiste vergunning niet kan worden hersteld op de voet van art. 212 bis CDW dan wel art. 86(6) DWU. Ook kan het beroep op het vertrouwensbeginsel belanghebbende niet baten, nu niet is voldaan aan de voorwaarden van art. 220(2)b DWU. Daarnaast is het volgens de A-G mogelijk rente op achterstallen in rekening te brengen over douaneschulden die zijn ontstaan onder vigeur van het CDW. Tot slot is het volgens de A-G niet mogelijk de douaneregeling na vrijgave van de goederen te wijzigen in de aangifte op de voet van art. 173(3) DWU. De overige voorgestelde middelen slagen evenmin. A-G Ettema geeft de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie ongegrond te verklaren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken