Conclusie A-G Niessen 16 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:157

A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 17/01043. In cassatie is in geschil of de heffing van revisierente op grond van artikel 30i AWR leidt tot een ongerechtvaardigde ongedifferentieerde behandeling van belastingplichtigen in strijd met artikel 1 EP EVRM en artikel 14 EVRM. Daartoe voert belanghebbende aan dat sprake is van discriminatie omdat de hoogte van de revisierente van 20% vaststaat en de tegenbewijstermijn 10 jaar is. Belanghebbende wijst hierbij op het gebrek aan door de wetgever genomen compenserende maatregelen, waardoor geen rekening wordt gehouden met de draagkracht van belastingplichtigen. Belanghebbende heeft in het jaar 2014 een lijfrentepolis afgekocht ten bedrage van € 29.820. Het Hof heeft het betoog van belanghebbende dat artikel 30i AWR in strijd is met artikel 1 EP EVRM afgewezen nu van de wettelijke regeling niet gezegd kan worden dat zij elke redelijke grond ontbeert. Het Hof heeft het betoog van belanghebbende dat de revisierente voor hem een individuele en buitensporige last vormt in de zin van 1 EP EVRM, eveneens afgewezen omdat belanghebbende geen feiten of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat de hem in rekening gebrachte revisierente zwaarder treft dan anderen. Van strijd met artikel 14 EVRM is evenmin sprake nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat andere belastingplichtigen die feitelijk en juridisch in dezelfde omstandigheden verkeren, gunstiger behandeld zijn. De A-G meent dat de heffing van revisierente gelet op de doelstelling van de wetgever om te voorkomen dat in strijd met de voorwaarden voor premieaftrek wordt gehandeld, het bewaren van het onderhoudskarakter van de lijfrentevoorziening en het door de wetgever gehuldigde uitgangspunt dat een belastingplichtige die een lijfrente met premieaftrek afkoopt niet beter af mag zijn dan een belastingplichtige die uit zijn netto-inkomen spaart en onder het forfaitaire rendement valt, niet van elke redelijke grond ontbloot is. De omstandigheid dat belanghebbende door het verlies van inkomen door de financiële crisis en ziekte zich gedrongen voelde over te gaan tot de afkoop van lijfrente, rechtvaardigt niet de conclusie dat belanghebbende door de in rekening gebrachte revisierente zwaarder is getroffen dan anderen. Daarbij merkt de A-G op dat van de wetgever mag worden verlangd dat een stelsel zoals de revisierente, waaraan een zekere ruwheid vanwege de ‘hard and fast rules’ inherent is, zodanig wordt vormgegeven dat daarmee wordt beoogd de werkelijkheid te benaderen. Ingeval het wettelijk forfait gedurende langere tijd en in ruime mate niet meer spoort met de werkelijkheid, kan een moment aanbreken waarbij moet worden geoordeeld dat de regeling in strijd is met het bepaalde in artikel 1 EP EVRM. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken