Conclusie A-G Niessen 22 december 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1462

A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 17/02950. In cassatie is in geschil of de heffing van revisierente op grond van artikel 30i AWR voor belanghebbende een individuele en buitensporige last vormt in de zin van artikel 1 EP EVRM. Daartoe heeft belanghebbende aangevoerd dat de in de parlementaire stukken genoemde verklaring dat de revisierente het rentenadeel van de staat compenseert, geen opgeld doet. Ook klaagt belanghebbende dat het Hof hem ten onrechte niet heeft gevrijwaard van de premie volksverzekeringen over de afkoopsom, terwijl hij na zijn pensionering geen premie volkverzekeringen zou zijn verschuldigd. Tevens is in geschil of belanghebbende gelijk is te stellen met langdurig arbeidsongeschikten, die op grond van artikel 3.133, lid 9, Wet IB 2001 uitgezonderd zijn van de heffing revisierente. Belanghebbende heeft in het jaar 2012 twee lijfrenteverzekeringen afgekocht. De afkoopsommen bedragen in totaal € 99.202. Het Hof heeft het betoog van belanghebbende dat de revisierente voor hem een individuele en buitensporige last vormt in de zin van 1 EP EVRM, afgewezen omdat belanghebbende geen feiten of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat de hem in rekening gebrachte revisierente zwaarder treft dan anderen. Het Hof heeft belanghebbendes stelling dat hij in een nadeligere positie wordt geplaatst dan langdurig arbeidsongeschikten die met toepassing van artikel 3.133, lid 9, Wet IB 2001 aanspraken afkopen, onbehandeld gelaten omdat in 2012, ten tijde van de afkoop, voornoemde bepaling nog niet in de wet was opgenomen. De A-G meent dat de heffing van revisierente gelet op de doelstelling van de wetgever om te voorkomen dat in strijd met de voorwaarden voor premieaftrek wordt gehandeld, het bewaren van het onderhoudskarakter van de lijfrentevoorziening en het door de wetgever gehuldigde uitgangspunt dat een belastingplichtige die een lijfrente met premieaftrek afkoopt niet beter af mag zijn dan een belastingplichtige die uit zijn netto-inkomen spaart en onder het forfaitaire rendement valt, niet van elke redelijke grond ontbloot is. De omstandigheid dat belanghebbende door het verlies van inkomen door de financiële crisis en ziekte zich gedrongen voelde over te gaan tot de afkoop van lijfrente, rechtvaardigt niet de conclusie dat belanghebbende door de in rekening gebrachte revisierente zwaarder is getroffen dan anderen. De A-G is van mening dat belanghebbendes klacht dat over de belaste afkoopsom premie volksverzekeringen wordt geheven terwijl dat niet het geval zou zijn geweest indien het lijfrentecontract volledig zou zijn doorlopen faalt, aangezien belanghebbende door zijn handelen niet langer in aanmerking komt voor het door de wetgever voor oudedagsvoorzieningen verleende belastinguitstel en belanghebbende niet in dezelfde positie verkeert als diegenen bij wie de lijfrentetermijnen tot uitkering komen. Volgens de A-G faalt belanghebbendes klacht dat het Hof zijn standpunt dat hij moet worden behandeld als een langdurig arbeidsongeschikte als bedoeld in artikel 3.133, lid 9, Wet IB 2001 reeds omdat die bepaling in het onderhavige jaar niet gold. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken