Conclusie A-G Bleichrodt 24 maart 2015, ECLI:NL:PHR:2015:668

Beroep op noodweer(exces) en putatief noodweer. ‘Garantenstellung’. ’s Hofs oordeel dat het beroep op noodweer(exces) moet worden verworpen omdat de gedragingen van verdachte (politieambtenaar) niet geboden zijn geweest ter noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt i.h.b. in aanmerking gekomen dat - naar het Hof niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld - X en Y zo kort na het gebukt passeren van het gat in de winkeldeur zijn neergeschoten dat er geen sprake van kan zijn geweest dat X en Y in de richting van verdachte bleven doorlopen, zodat van enige concrete dreigende agressie gericht tegen verdachte niet is gebleken. In het licht van deze vaststellingen geeft ’s Hofs oordeel dat het beroep op putatief noodweer moet worden verworpen omdat niet kan worden gezegd dat verdachte redelijkerwijs mocht vermoeden dat hij werd aangevallen, evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dit oordeel ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij verdient opmerking dat het Hof bij de beoordeling van het beroep op putatief noodweer betekenis mocht toekennen aan verdachtes capaciteiten gezien in het licht van hetgeen in een situatie als de onderhavige - gelet op zijn beroep, opleiding en training - mag worden verwacht van een politieambtenaar (de zgn. ‘Garantenstellung’).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken