HR 5 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9985

1. Afwijzing aanhoudingsverzoek i.v.m. nadere rapportage omtrent verdachtes persoonlijke omstandigheden. 2. Strafoplegging. Ad 1. Het Hof heeft in zijn overwegingen tot uitdrukking gebracht dat het bij zijn beslissing is nagegaan of de noodzaak van het verzochte was gebleken. Dat is bij een dergelijk ttz. gedaan verzoek de juiste maatstaf. ’s Hofs beslissing is voorts niet onbegrijpelijk mede in aanmerking genomen dat het Hof rekening heeft gehouden met zowel een eerder opgemaakt voorlichtingsrapport als met hetgeen de raadsman m.b.t. verdachtes persoonlijke omstandigheden ttz. naar voren heeft gebracht. Ad 2. Het Hof heeft in overeenstemming met art. 359.6 Sv i.h.b. de redenen opgegeven die de opgelegde gevangenisstraf hebben bepaald, en toereikend gemotiveerd waarom met een straf zoals door het OM gevorderd niet kan worden volstaan. De stellingen in de toelichting op de middelen, te weten dat de verdachte in een alleen door hem ingesteld h.b. erop mag vertrouwen dat diens bezwaren tegen het in e.a. gewezen vonnis voorwerp van beraadslaging zullen zijn en derhalve geen zwaardere straf zal worden opgelegd dan in e.a. bepaald, en dat het de appelrechter in zo een alleen door de verdachte ingesteld h.b. niet vrijstaat om een zwaardere straf op te leggen dan nadat hij de procespartijen in de gelegenheid heeft gesteld zich daarover uit te laten, vinden geen steun in enige regel van Nederlands recht. Voorts is het opleggen van een zwaardere straf dan waarover partijen zich ttz. in h.b. hebben uitgelaten niet onverenigbaar met de in art. 6 EVRM belichaamde beginselen van een eerlijk proces.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen