HR 17 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1876

OM-cassatie. Beklag ex art. 98.4 jo. art. 552a Sv door klaagster (lokale deken van Orde van Advocaten) tegen beslag op onderzoeksrapport en daaraan ten grondslag liggende stukken die door klaagster zijn verkregen of opgemaakt i.h.k.v. toezichthoudende taak op advocatuur (art. 45a Advocatenwet) n.a.v. grootschalige notariële fraude binnen kantoor van landsadvocaat, waarbij o.m. aan kantoor verbonden (inmiddels overleden) notaris als verdachte is aangemerkt. 1. Heeft deken in hoedanigheid van toezichthouder op advocatuur zelfstandig verschoningsrecht tegenover politie en justitie in geval van strafrechtelijk onderzoek? 2. Is sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan (zelfstandig) verschoningsrecht van deken moet wijken voor belang van waarheidsvinding? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:1983:AG4685 en HR:1985:AC9066 over grondslag van verschoningsrecht van in art. 218 Sv bedoelde hulpverleners. Onder bijzondere omstandigheden kan verschoningsrecht toekomen aan persoon die weliswaar niet behoort tot die hulpverleners maar wel een maatschappelijke taak of functie verricht waarbij een geheimhoudingsplicht geldt. Allereerst moet met effectief kunnen uitoefenen van die taak of functie zwaarwegend maatschappelijk belang zijn gemoeid. Daarbij moet reële mogelijkheid bestaan dat zonder aanvaarding van verschoningsrecht dit zwaarwegende maatschappelijke belang aanmerkelijk wordt geschaad. Tot slot moet voorkomen van die schade zwaarder wegen dan maatschappelijk belang dat waarheid in juridische procedure aan het licht komt (vgl. HR:1983:AG4685 en HR:1999:AA3797). Mede gelet op wetsgeschiedenis is met effectief kunnen uitoefenen van in art. 45a Advocatenwet bedoeld toezicht zwaarwegend maatschappelijk belang gemoeid. Zonder aanvaarding van zelfstandig verschoningsrecht van deken tegenover politie en justitie zou dat zwaarwegende maatschappelijk belang aanmerkelijk kunnen worden geschaad. Voor toezichthoudende taak is essentieel dat deken zelfstandig kan optreden in strafproces, bijvoorbeeld door klaagschrift ex art. 98.4 Sv in te dienen. Als deken niet over zelfstandig verschoningsrecht zou beschikken, kan dit tot gevolg hebben dat advocaten niet of in beperkte mate bereid zijn mee te werken aan toezicht uit vrees dat door hen aangeleverde of door deken anderszins verzamelde informatie ter kennis komt van derden, i.h.b. politie en justitie, anders dan dat die informatie door deken zelf in kader en binnen grenzen van toezichthoudende taak aan derden kenbaar wordt gemaakt. Zwaarwegend maatschappelijk belang van goed werkend systeem van toezicht op advocatuur brengt daarom met zich dat aan deken zelfstandig verschoningsrecht toekomt. Dit verschoningsrecht strekt zich uit tot informatie die rechtstreeks verband houdt met toezichthoudende taak op advocatuur. Dit betreft (met deken gedeelde) informatie die aan advocaat als zodanig door cliënt is toevertrouwd en dus onder geheimhoudingsplicht van advocaat valt, anderszins vertrouwelijke informatie die deken i.h.k.v. toezichthoudende taak heeft verkregen en ook wat deken in dat kader zelf heeft medegedeeld, verricht of geadviseerd. Ook voor dit verschoningsrecht geldt dat het in zoverre niet absoluut is, dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin belang van waarheidsvinding zwaarder moet wegen (vgl. HR:2024:1290). Oordeel Rb dat aan klaagster zelfstandig verschoningsrecht toekomt, is juist. Ad 2. Rb heeft overwogen dat omvangrijke fraude waarop strafrechtelijk onderzoek ziet weliswaar ernstig feit betreft dat voor grote maatschappelijke onrust heeft gezorgd, temeer omdat deze is gepleegd binnen kantoor van landsadvocaat, maar dat dit op zichzelf onvoldoende is voor aannemen van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarvoor verschoningsrecht van klaagster moet wijken. Daarbij heeft Rb van belang geacht dat strafrechtelijk onderzoek ziet op fraude i.h.k.v. notariële praktijk van kantoor van landsadvocaat en dat geen sprake is van verdenking tegen advocaten van dat kantoor van wie klaagster informatie heeft gekregen. Verder heeft Rb bij oordeel betrokken dat onvoldoende is gebleken dat met gebruik van inbeslaggenomen stukken zeer zwaarwegend opsporingsbelang is gemoeid, en dat OvJ niet heeft weersproken dat informatie op andere wijze zou kunnen worden verkregen. Oordeel Rb dat geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van verschoningsrecht van klaagster rechtvaardigen, is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. Samenhang met HR:2024:1875.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken